Een moet internationaal minimumloon

De kledingindustrie van Bangladesh moet worden hervormd – niet vernietigd. Muhammad Yunus roept buitenlandse afnemers op zich te verenigen en arbeiders uit hun ‘slavernij’ te bevrijden.

The clothing tag on a pair of jeans by Wal-Mart's brand Faded Glory, which is made in Bangladesh, is shown after purchase from a Walmart store in Encinitas, California, May 14, 2013. Wal-Mart Stores Inc said on Tuesday that it would conduct in-depth safety inspections at all 279 Bangladesh factories with which it works and publicly release the names and inspection information, as pressure mounts on retailers to ensure worker safety after April's deadly building collapse. REUTERS/Mike Blake (UNITED STATES - Tags: BUSINESS EMPLOYMENT) REUTERS

Voor Bengalezen is het drama in de ingestorte kledingfabriek in Savar een symbool van ons falen als land. De scheur die tot de ineenstorting van het gebouw leidde, heeft ons laten zien dat wij als land tussen het puin zoek zullen raken als we de scheuren in onze eigen systemen niet onder ogen zien. De ziel van hen die in Rana Plaza het leven lieten, ziet wat wij doen en hoort wat wij zeggen. De laatste adem van deze doden omringt ons.

Hebben wij iets geleerd van dit vreselijke verlies aan levens? Of hebben we onze plicht wel vervuld door alleen ons diepe medeleven te uiten? Wat moeten wij doen, nu ons het bericht bereikt van een dodelijke brand in een andere fabriek in Dhaka?

Paus Franciscus heeft gezegd dat afnemers textielarbeiders als slaven behandelen. Een zeer grote buitenlandse afnemer, Disney, heeft besloten zich uit Bangladesh terug te trekken. Anderen volgen mogelijk. Dit zal onze sociaal-economische toekomst ernstig schaden. Deze industrie heeft enorme veranderingen in onze maatschappij teweeggebracht, onder andere in het leven van vrouwen. We mogen niet toestaan dat ze kapot wordt gemaakt.

Ik stel daarom voor dat buitenlandse afnemers gezamenlijk een internationaal minimumloon voor de kledingindustrie vaststellen. Dat zou zo’n 50 cent per uur kunnen zijn – tweemaal het huidige, gangbare bedrag in Bangladesh. Dit minimumloon zou een integraal onderdeel moeten zijn van de hervorming van de sector en zo moeten helpen toekomstige drama’s te voorkomen. We moeten de internationale bedrijven laten inzien dat deze arbeiders zich weliswaar fysiek in Bangladesh bevinden, maar dat hun arbeid aan deze bedrijven bijdraagt: ze zijn stakeholders. Fysieke afzondering is geen grond om niet naar het welzijn van deze arbeiders om te zien.

Natuurlijk zullen er negatieve reacties zijn. Sommigen zullen stellen dat Bangladesh de concurrentiekracht weer zal verliezen die het heeft verworven door de goedkoopste arbeid te bieden. Om zijn concurrentiepositie te behouden, zou Bangladesh zijn aantrekkingskracht daarom op andere manieren moeten verhogen, bijvoorbeeld door de productiviteit op te voeren of door in te zetten op gespecialiseerde arbeidsvaardigheden. Zo kan het vertrouwen van afnemers worden herwonnen en het welzijn van arbeiders worden gewaarborgd.

Maar zolang we niet in staat zijn een internationaal minimumloon vast te stellen, zullen we de arbeiders niet kunnen verlossen uit de ernstige categorie van ‘slavernij’ waarin de paus hen heeft geplaatst. Het zal niet meevallen om steun voor het minimumloon te verwerven, maar door oprechte gesprekken met politici, ondernemers, burgers, kerkelijke groeperingen en media in de consumentenlanden, bestaat de mogelijkheid wel degelijk.

In het verleden heb ik buitenlandse afnemers geprobeerd te overtuigen – tevergeefs. Maar na het drama van Savar heeft de kwestie een nieuwe urgentie gekregen. Ik wil mijn internationale en Bengalese vrienden mobiliseren om ditmaal een krachtiger en vasthoudender poging te doen.

Er is nog een andere praktische manier om de omstandigheden van arbeiders in de Bengalese kledingindustrie op een hoger peil te helpen brengen. Stel, een klediingfabriek vervaardigt een kledingstuk en verkoopt het voor vijf dollar, waarna het wordt verpakt en wordt verscheept naar New York. In die vijf dollar zitten niet alleen productie, verpakking, transport, winst en management, maar indirect ook het aandeel voor de katoenboeren en de spinnerijen en de kosten van het verven en weven.

Kopen Amerikaanse klanten het kledingstuk voor 35 dollar in een winkel, dan zijn ze blij – ze hebben immers een koopje. Maar iedereen die bij de productie was betrokken, ontving bij elkaar opgeteld vijf dollar. De overige dertig dollar kwam er pas in de Verenigde Staten bij, om het product bij de eindgebruiker te brengen. Met een kleine inspanning kunnen we een enorme invloed op het leven van de arbeiders hebben. Zou het een consument in een winkelcentrum storen als hem wordt gevraagd 35,50 in plaats van 35 dollar te betalen? Mijn antwoord is nee, hij zal het niet eens merken. Zetten we vervolgens met die vijftig cent extra een fonds voor het welzijn van de arbeiders in de kledingindustrie in Bangladesh op, dan kunnen we de meeste problemen van de arbeiders oplossen: veiligheid, werkomgeving, uitkeringen, gezondheidszorg, huisvesting, de gezondheid van hun kinderen, onderwijs, kinderopvang, pensioen, ouderenzorg en reizen. Dit zou uit het fonds kunnen worden bekostigd.

Jaarlijks exporteert Bangladesh voor 18 miljard dollar aan kleding. Zouden alle kledingkopers dit voorstel aanvaarden, dan ontvangt het fonds jaarlijks 1,8 miljard dollar. Dat is omgerekend 500 dollar voor elk van de 3,6 miljoen arbeiders. Al wat we hoeven doen, is het kledingstuk voor 35,50 in plaats van voor 35 dollar te verkopen. Een amper merkbare prijsverandering zou wonderen kunnen verrichten.

Natuurlijk zullen internationale afnemers stellen dat vijftig cent extra tot minder vraag naar het product leidt. Dat hun winsten slinken. Maar we kunnen een regeling aanbieden waarbij hun verkoop omhoog in plaats van omlaag gaat. Die vijftig cent kan worden ingezet om het product aantrekkelijker te maken voor de consument. We zouden elk kledingstuk kunnen voorzien van een speciaal label met de tekst: ‘Van de tevreden arbeiders van Bangladesh, met genoegen. Welzijn van de arbeiders gegarandeerd’.

Grameen, de ngo Brac of een andere gerespecteerde internationale organisatie kan dit bekrachtigen. En dan zetten we er ook een fraai logo op.

Als de consument ziet dat een bekende en vertrouwde instelling de verantwoordelijkheid neemt voor heden en toekomst van de textielarbeiders, vinden ze het niet erg om vijftig cent extra te betalen, denk ik. De consument is trots; hij steunt product en bedrijf. Hij hoeft zich niet schuldig te voelen over het feit dat hij een product draagt dat onder zware omstandigheden is gemaakt.

Ik verwacht niet dat alle bedrijven mijn voorstel meteen zullen uitvoeren. Ik hoop wel dat een aantal van hen zich meldt om te experimenteren. Ik hoop ook dat hun nationale overheden, organisaties die voor de bescherming van arbeidsrechten ijveren, burgergroeperingen, kerkelijke groeperingen en media hen steunen. In het licht van de slachtoffers in Savar moet deze kwestie nu dringender de aandacht trekken.

De industrie uit Bangladesh weghalen is geen oplossing. Dat zou jammer zijn voor Bangladesh én voor de buitenlandse afnemers. Het is onzin om weg te gaan uit een land dat sterk van hun bedrijvigheid heeft geprofiteerd, een land dat dankzij hen snel en zichtbaar economische en sociale vooruitgang weet te boeken, een land dat hun altijd dankbaar kan blijven.

Ik denk dat de buitenlandse ondernemingen liever in Bangladesh blijven om daar met trots een nieuwe maatschappij en economie te scheppen. In de wereld van het bedrijfsleven vinden veranderingen plaats. Ook al zijn dit kleine veranderingen, ze voltrekken zich wel degelijk. We kunnen die verandering versnellen.

Het drama van Savar heeft onder de bevolking van dit land een diepe wond geslagen en enorm pijn gedaan. Ik hoop dat we vanuit die diepe pijn een weg zullen vinden om de problemen in ons leven als volk op te lossen.

Toen we op onze televisieschermen zagen hoe het drama zich ontvouwde – de honderden hulpeloze dode en gewonde mensen – drong het tot ons door waar ons disfunctionele systeem ons heeft gebracht. Zullen we na dit alles gewoon blijven toekijken terwijl het opnieuw gebeurt?

Wanneer komen we bij zinnen?

Muhammad Yunus is de grondlegger van het microkrediet. In 2006 kreeg hij de Nobelprijs voor de Vrede. © The Guardian