De scholekster in Nederland vergrijst

Er zijn elk jaar minder scholeksters in Nederland. De vogels die nu nog langs de vloedlijn scharrelen, zijn intussen stokoud.

Ziet u binnenkort nog een scholekster, maak dan even een foto. Wetenschappers vrezen dat deze vogelsoort binnenkort in Nederland vrijwel is uitgestorven. Scholeksters kunnen wel 40 jaar oud worden. Spoelt er eens een rijtje nesten langs het strand weg in een late voorjaarsstorm, dan is er op populatieniveau niets aan de hand. Maar er zijn grenzen aan de veerkracht van deze vrolijk vormgegeven vogel met zijn zwart-witte verenpak en feloranje snavel en poten.

Ongeveer 30 procent van de wereldpopulatie scholeksters leeft in Nederland. In 1990 telde ons land nog 250.000 overwinterende scholeksters in de Waddenzee, 15 jaar later was de stand gehalveerd. De scholekster gaat jaarlijks met 5 procent achteruit. “Voor een lang levende soort is dat een dramatisch cijfer”, vindt Bruno Ens van Sovon Vogelonderzoek Nederland.

Om de soort in stand te houden moeten tien paar scholeksters gezamenlijk minstens vier vliegvlugge kuikens per jaar produceren. Dat lijkt een bescheiden doelstelling voor een vogel die drie of vier eieren per nest legt, maar het is al jaren niet meer gelukt. De vogels die nu nog langs de vloedlijn scharrelen zijn inmiddels stokoud en ze hebben niet het eeuwige leven.

De scholekster is niet de enige wadvogelsoort die vergrijst en op uitsterven staat. Op het internationale wetenschappelijke congres ‘Breeding Birds in Trouble’, dat onlangs in het Duitse Wilhelmshafen werd gehouden, bleek dat tweederde van alle broedvogels in de Waddenzee in aantal achteruitgaat, in het Nederlandse, Duitse én Deense deel van de Waddenzee. De laatste tien jaar is de neerwaartse trend versterkt. Niet alleen bij de scholekster, maar ook bijvoorbeeld bij de kluut en de Noordse stern. Soorten als kemphaan, bonte strandloper en watersnip staan op de rand van uitsterven. Als het tij niet keert, zal ook de blauwe kiekendief uit de Waddenzee verdwijnen.

Al deze soorten hebben slechte broedresultaten. De oorzaken lopen uiteen. Om te beginnen komt overstroming van kwelders en strandvlaktes door stormvloed tijdens het broedseizoen steeds vaker voor. De laatste tien jaar is het aantal zomerstormen significant toegenomen doordat het klimaat op aarde verandert en niet alleen warmer, maar ook grilliger wordt. Scholeksters zijn erg plaatstrouw. Ze broeden jaar in, jaar uit op precies dezelfde plek en ook als de omstandigheden daar verslechteren, zullen ze niet verkassen.

Op de vastelandkwelders zijn tegenwoordig meer vossen en andere nestrovers. Vossen hadden vroeger te lijden van hondsdolheid, maar die ziekte is vrijwel uitgeroeid. Bovendien verstoren recreanten en loslopende honden de nesten.

Een andere belangrijke oorzaak van slechte broedresultaten is de verslechtering van het voedselaanbod voor de vogels. Veel wadvogels leven van schelpdieren. In de jaren negentig zijn de mosselbanken uit de Waddenzee helemaal weggevist. In het oosten van de Waddenzee zijn die inmiddels aan het herstellen, maar in het westelijk deel door onopgehelderde oorzaken veel minder. Probleem is ook dat de mosselbanken steeds meer overgroeid raken door de Japanse oester, een exoot die in de Waddenzee een enorme opmars doormaakt. Hij vergroot zijn voorsprong doordat hij mossel- en kokkelzaad uit het water filtert en opeet, terwijl hij zelf voor wadvogels niet eetbaar is. Voor de scholekster speelt mee dat deze vogel zijn kuikens voert met het vlees van een ander schelpdier, het nonnetje. Juist het nonnetje is de laatste jaren in de Waddenzee sterk achteruit gegaan, mogelijk door klimaatverandering.

Sinds 2005 wordt in het Reproductiemeetnet Waddenzee systematisch informatie over het broedsucces van de wadvogels ingezameld. Men telt niet in heel Nederland, maar alleen in bepaalde gebieden, dus steekproefgewijs. In die steekproef wordt elk jaar op dezelfde manier geteld, zodat men inzicht krijgt in trends.

Men volgt het broedsucces van karakteristieke broedvogels: eider, scholekster, kluut, kokmeeuw, kleine mantelmeeuw, zilvermeeuw, visdief en noordse stern. Daarnaast wordt naar andere soorten steltlopers, meeuwen en sterns gekeken. Sinds 2009 maakt het meetnet deel uit van een internationaal reproductiemeetnet zodat men Nederlandse, Duitse en Deense broedresultaten kan vergelijken.

“Het gaat overal in de Waddenzee even slecht”, constateert Kees Koffijberg van Sovon Vogelonderzoek Nederland en coördinator van het Reproductiemeetnet. “De tot nu toe verzamelde gegevens wijzen erop dat de meeste soorten te weinig jongen produceren om de populatie op termijn in stand te houden. De afname die eider, scholekster, kluut, kokmeeuw, visdief en noordse stern doormaken, zal in de komende jaren waarschijnlijk doorzetten. De aantallen kleine mantelmeeuwen nemen nog niet af, maar gezien de slechte voortplanting, bijvoorbeeld op Texel, is dat een kwestie van tijd.”