De man de norm is weer eens

Te veel vrouwen teren op de zak van hun man volgens minister Bussemaker. Moet de vrouw dan worden als de man, vraagt Heleen Crul.

Mannen in het huishouden. Man doet een tukje, tijdens het oppassen op zijn kind dat in een rieten mand ligt. Nederland 1961.; Walter Blum / Spaarnestad Phot>

Dat was een forse kopstoot die minister Jet Bussemaker, net voor Moederdag, uitdeelde aan de moeders van Nederland. Terwijl hun mannen en kinderen op zoek waren naar cadeautjes voor die moeders, liet zij weten dat ‘te veel vrouwen teren op de zak van hun man’. Ze moederen teveel en werken te weinig, was, kort samengevat, haar boodschap. De noodzakelijkheid van dat werken onderbouwde ze met het argument dat parttime werkende moeders gemiddeld maar de helft van het inkomen verdienen dat hun man krijgt. En daarom economisch onzelfstandig zijn, hetgeen zich wreekt bij echtscheidingen. Ze moeten ‘zichzelf kunnen bedruipen’. Dus moet het maar eens afgelopen zijn met die drang parttime te willen werken.

Bussemakers oproep in dit tijdsgewricht van crisis doet om verschillende redenen wat wereldvreemd aan. Allereerst neemt het aantal werklozen nog voordurend toe en het eind daarvan is nog niet in zicht. De fulltimebanen liggen niet voor het oprapen. Daarnaast worden parttime werkende vrouwen geconfronteerd met kinderopvang die aanzienlijk duurder is geworden. Wat loont het dan om nog meer te gaan werken, is een veelgehoorde verzuchting. Ook het gebrek aan tact – om niet te zeggen: respect – van Bussemaker is hinderlijk. Moeders vertegenwoordigen nog altijd de gratis economie van de liefde, die in praktijk onbetaalbaar zou zijn, zeker ook als je hun zorg voor het huis en de vader van hun kinderen meerekent.

Emancipatie heeft niet primair met je banksaldo en carrière te maken, maar met zelfvervulling, gerealiseerd door eigen, vrije keuzes van vrouwen die hun ontplooiing dienen.

Toch wordt het begrip emancipatie altijd gekoppeld aan een gelijkheidsideologie die steunt op het fulltime werken van vrouwen en carrière maken. Daarbij is arbeidsparticipatie van de man, met de daarbij behorende dominante arbeidsopvatting, de norm. Op die manier blijven vrouwen altijd gemankeerde mannen. Bovendien wordt datgene waartoe mannen niet of minder goed in staat zijn dan vrouwen, namelijk het spelen van een cruciale rol in de voortplanting door zwangerschap, bevalling en de zorg en opvoeding van kinderen, beschouwd als iets negatiefs. Als een soort handicap waaraan vrouwen bij uitstek lijden. Dat is de omgekeerde wereld.

De oproep van Bussemaker aan moeders om meer te gaan werken, is in de praktijk ook nauwelijks te verwezenlijken. In andere landen (onder meer Frankrijk, Italië, Duitsland, Noorwegen, Zweden, Denemarken) wordt moederschap het eerste jaar als baan gezien – soms zelfs nog langer – en beloond met zorgtoeslag. Kinderen krijgen wordt daar niet beschouwd als individuele keuze, maar ook als bijdrage aan de toekomst van een samenleving. Allerlei vormen van betaalbare en pedagogisch verantwoorde kinderopvang voor uiteenlopende leeftijden zijn daar royaal aanwezig.

In Nederland wil dat maar niet goed lukken. Verschillende kabinetten zijn bezig geweest met voorstellen voor verbetering van de situatie, zonder duidelijk resultaat. Zo was er ruim tien jaar geleden het plan voor een zogenaamd ‘dagarrangement’. Staatssecretaris Verstand (D66, kabinet-Kok II) was er lyrisch over. Want daarmee kon iedere Nederlandse vrouw haar kinderen van jongsaf aan volledig de deur uit doen. Via crèche en school werd de opvang tien uur per dag geregeld, inclusief het vervoer naar zwembad, sport- of muziekonderricht. Een soort staatsopvoeding dus. De rest zou dan ook uitbesteed kunnen worden bij een zogeheten ‘multifunctionele gemaksbalie’. Je kon er, zo was het plan, je was of je boodschappenlijstje afgeven, en dan ’s avonds de gestreken overhemden en de boodschappen mee naar huis nemen.

Over de vraag of je daar ook je zieke moeder of je bejaarde vader kon afleveren, heeft Verstand het toen niet gehad. Die vraag wordt nog relevanter, omdat het verzorgen van een zieke moeder of eenzame vader binnenkort voor een groot deel op de schouders neerkomt van vrouwen die door Bussemaker aangemoedigd worden fulltime te gaan werken.

Maar zelfs voldoende en betere kinderopvang zal niet veel zoden aan de dijk zetten, geven vrouwen zelf desgevraagd aan. Nederlandse vrouwen willen er nu eenmaal ook zijn voor hun kinderen, een verschijnsel dat deel uitmaakt van onze cultuur. Werken? Oké, maar ‘het moet wel een beetje leuk blijven’. Dat laatste geldt dan voor hun leven in zijn totaliteit. Het zoeken naar een balans tussen plicht en pret maakt daar deel van uit. Het creëren van een gezellig huis, vrije tijd voor vriendschappen en ‘leuke dingetjes’, ook. Dat alles vinden ze meestal belangrijker dan status en geld.

Met een moeder die in deeltijd werkt, heeft ook een kind het beste van twee werelden: dagen met al het speelgoed van de crèche of met je vriendjes uit de klas bij de naschoolse opvang. Afgewisseld met dagen waarop je gewoon bij haar thuis blijft, of na school naar huis kan gaan en daar vrij kan spelen, binnen of buiten, of gezellig dingen met je moeder kan doen. Drie dagen per week naar de crèche of de buitenschoolse opvang is ook uit opvoedkundig oogpunt zinvol, omdat al die prinsjes en prinsesjes daar één van de velen zijn, aandacht leren delen, leren geven en nemen, op hun beurt moeten wachten en regels leren accepteren.

De echte oplossing zou zijn dat de overheid met een realistisch, aantrekkelijk perspectief komt, waarin ouderschap en arbeid harmonieus samengaan. Bijvoorbeeld door vrouwen en mannen met een jong gezin in staat te stellen samen per week niet meer dan zeven, hooguit acht dagen te werken.

Wanneer dit tot minder inkomen leidt, kan dat gecompenseerd worden met een tijdelijk belastingvoordeel of een tijdelijke kwijtschelding van de AOW-premie. Dit laatste omdat ouders nu eenmaal voor toekomstige premiebetalers zorgen. De continuïteit van ouderlijk gezag is op deze manier gewaarborgd. Er is dan immers altijd één ouder thuis, of er moet hooguit twee dagen per week van een crèche of naschoolse opvang gebruik worden gemaakt.

De dwang om moeders meer te laten werken, verhult overigens de meer voor de hand liggende dwang om mannen te stimuleren zorg en arbeid te combineren. Over het feit dat dit niet erg overtuigend lukt, is nauwelijks meer maatschappelijke discussie. Mannen verrichten weliswaar meer hand- en spandiensten binnenshuis dan vroeger, maar het merendeel van allerlei vormen van zorg ligt toch nog steeds op de schouders van moeders. Niet alleen wat betreft het huishouden en de kinderen, maar ook voor de mannen zelf.

Misschien kan Bussemaker – net voor Vaderdag – de vaders eens oproepen tot meer zorg thuis. Met de mededeling dat ook ‘zij zichzelf op dit vlak zouden moeten kunnen bedruipen’.

Heleen Crul is publiciste.