Broekriem aanhalen

We zijn eraan gewend, het hoort zo, maar iedere dag worden we overweldigd door een stortvloed aan commerciële boodschappen, overal, op straat, in het openbaar vervoer, de krant, de radio, de televisie, de digitale media. En het wordt steeds, hoe zal ik het noemen, hyperder.

Maar misschien hebben we er in de loop der tijden een natuurlijk verweer tegen ontwikkeld. En ik geef toe, reclame is een onmisbaar onderdeel van de vrije markt die ons de welvaart, het rijke leven en nu weer de crisis en de armoede heeft gebracht.

Maar gesteld dat dit periodieke trommelvuur van de reclame door een vergelijkbare hoeveelheid politiek geschreeuw, gelik, gehos en gezang zou worden vervangen, zouden we er dan niet van overtuigd raken dat we in een chaotische vorm van dictatuur terecht waren gekomen? Dagelijks blootgesteld aan een hersenspoeling?

Lang geleden, voor de televisie was uitgevonden, heeft de progressieve Amerikaan Ralph Ingersoll een reclamevrij dagblad opgericht, PM. Het is veelbelovend begonnen maar al gauw werd het een fiasco. De oorzaak kennen we niet. Misschien werden de consumenten radeloos omdat ze niet meer wisten waar ze de lekkerste pizza enzovoort konden kopen.

Dit stukje schrijf ik op een Grieks eilandje. Al een week heb ik geen Nederlandse krant en geen televisie gezien, en reclame alleen op mijn laptop. Die beelden sla ik automatisch over. Waarschijnlijk een natuurlijk verweer dat een mens zich automatisch aanleert. Het nieuws lees ik in de International Herald Tribune, die zich door alle mediarevoluties heen als een uitstekende krant heeft gehandhaafd.

Afgezien van het T Style Magazine dat je er eens in de zoveel maanden bij krijgt. Een pagina of tachtig vol kleurenfoto’s van ontevreden tot boos kijkende jongedames, de mond een klein beetje open. Dat hoort zo. Ze dragen de nieuwste creaties die ik als leek niet kan onderscheiden van de nieuwste creaties van vorig jaar. En verder steeds meer foto’s van jongemannen die ook boos kijken en zich een dag of tien geleden voor het laatst geschoren hebben. Dat hoort ook zo. En dan natuurlijk de foto’s van de horloges die allemaal op de universele tijd, tien over tien, staan.

Terzake. Het grote nieuws op de voorpagina van 14 mei is dat ‘een gevoel van ontgoocheling zich meester maakt van Euroland’. De lange crisis heeft het vertrouwen in de toekomst van een verenigd continent zwaar aangetast. Er staat een statistiekje bij met niets anders dan dalende lijnen. Van de Fransen heeft 41 procent nog een beetje vertrouwen in Europa, en de Grieken staan met 33 procent op het Europese dieptepunt. Geen wonder. Behalve aan een inflatie van paradijselijke heerlijkheden via de commerciële reclame worden ze blootgesteld aan die andere inflatie van beloften door de politici: dat alles weer beter zal worden als ze nu de broekriem even aanhalen. Wat een uitdrukking. Probeer het zelf, trek uw riem een paar gaatjes verder. Een ongemakkelijk gevoel op z’n minst. En erger: het helpt niet. Het veroorzaakt alleen nieuwe beloften van de politici.

Van tijd tot tijd ga ik hier door de hoofdstraat op inspectie. Een paar jaar geleden nog liep er een gezellige drom winkelende euroburgers, het was een soort Kalverstraat. Intussen is het tot een zeer dunbevolkte sleuf geworden. Ik tel de lege etalages met het bordje te koop of te huur. Weer twaalf meer dan de vorige keer. Waar zijn al die winkeliers gebleven? Die zitten thuis hun broekriem aan te halen.

Terwijl ik daar liep te tellen, dacht ik opeens aan de dagen waarin de euro werd ingevoerd, de kennismaking met de nieuwe munten. Ik vond het jammer dat ik afscheid moest nemen van de zilveren gulden en de rijksdaalder, de tweeënhalve cent, het dubbeltje en, eerder al, vooral van de halve cent, waarschijnlijk het kleinste muntje ter wereld. Daarvoor in de plaats kregen we de euromunten van 1 en 2 cent tot 2 euro. Iedere munt, welke dan ook, heeft zijn eigen uitstraling, zijn eigen allure van betrouwbaarheid. In die 1- en 2-centmunten zag ik niets. Een voorgevoel? Al jaren geleden zijn ze uit de circulatie verdwenen. In een geheim doosje bewaar ik er nog een paar. Alleen de munt van 2 euro heeft zijn uitstraling van betrouwbaarheid nog enigszins bewaard.

Ik schrijf dit stukje op 14 mei. Vanwege de hypermoderne digitale productiewijzen moet mijn kopij morgen worden ingeleverd. Ik kijk op de klok: half een. Precies 73 jaar geleden begon de verwoesting van mijn stad, Rotterdam. Ieder jaar, op deze dag omstreeks deze tijd denk ik er even aan. Ik ben benieuwd naar wat de kinderen die nu een jaar of twaalf zijn, zich in 2086 van deze tijd zullen herinneren.