‘Alles gaat goed en alles lukt’

Patti Valkenburg, hoogleraar Jeugd en Media, ziet haar vak als een online computergame, zegt ze bij zalm op toast. ‘Ik had veel machtiger kunnen zijn.’

Hoogleraar Patti Valkenburg is geen gamer, twitteraar of facebooker: „WhatsApp vind ik wel heel leuk. Daarmee doe je wat je toch al deed.”

Patti Valkenburg (54) heeft zich voorbereid. Van tevoren heeft ze bedacht waar ze wilde lunchen, ze heeft gegoogeld hoe ik eruitzie opdat ze me zal herkennen in het grand café van hotel Krasnapolsky in Amsterdam. „We hebben toch een blind date.” En in de loop van ons gesprek geeft ze subtiele regieaanwijzingen, waaruit ik opmaak dat ze ook heeft nagedacht over wat ze in elk geval wil zeggen. Van de dingen die ze liever niet wilde zeggen, maar toch zei, heeft ze achteraf een beetje spijt. Ze belt me er na afloop van de lunch over op. Vriendelijk, maar ook een beetje ongerust. Niet iedereen hoeft alles van haar te weten. Zij weet als geen ander dat alles wat op internet komt – dit stuk straks ook – nooit meer verdwijnt.

Patti Valkenburg is hoogleraar Jeugd en Media aan de Universiteit van Amsterdam. Per 1 mei is ze daar benoemd tot een van de zes universiteitshoogleraren. Ze krijgt meer tijd en ruimte voor interdisciplinair onderzoek.

Ze heeft voor Krasnapolsky gekozen omdat het er „kosmopolitisch” is. Ze is sfeergevoelig, zegt ze. En de sfeer van taartjes in de vitrine en toeristen in de lobby bevalt haar. Bovendien is er geen muziek. „Ik kan gewoon praten, en jij kunt me verstaan.” Ze vertelt over de tram waarin ze zat, met alleen maar mensen die op hun smartphone bezig waren en wat een gek gezicht dat eigenlijk was. „Ik had er een foto van moeten maken.” Ze heeft het over gameverslaafde jongetjes en over de entertainisering van de kindertijd (alles moet ‘leuk’ zijn). Daarna heeft ze het over het boek dat ze aan het lezen is over big data, informatiebestanden die zo groot zijn dat geen computersysteem ze meer onder controle kan houden. „De techniek verandert nu zo snel, we kunnen ons geen voorstelling maken van hoe onze samenleving er over tien jaar uit zal zien.”

Steeds als ze halverwege een zin is, wordt ze onderbroken. De menukaart, de thee, de fotograaf. Ze helpt als ik na de laatste interruptie even niet meer weet waar we gebleven waren. „Weet je wat je misschien nu kan vragen?”, zegt ze. „Waarom ik in Amerika was.”

Ze was als spreker uitgenodigd door de Northwestern University, een particuliere universiteit in de buurt van Chicago. Daarna heeft ze nog twee universiteiten bezocht. Al met al is ze er een maand geweest. Haar man, Paul van der Heijden (de vorige rector magnificus van de Leidse Universiteit), heeft dit jaar een sabbatical en kon dus met haar mee. Ze werd er onthaald, zegt ze, als de beroemde mediaprofessor uit Nederland. „Ontzettend goed voor je ego.” Stralende, groene ogen. Ik bén ook beroemd,” zegt ze. „Echt.” Volgens de vakbladen is zij de productiefste mediahoogleraar van Europa, met de grootste wetenschappelijke onderzoeksgroep van de wereld. Ze is de enige die al zo lang (24 jaar) systematisch mediagebruik onderzoekt. In 2011 ontving ze de Spinozapremie (2,5 miljoen euro) voor haar onderzoek. En nu is ze universiteitshoogleraar.

Zij heeft een model ontwikkeld waarmee ze kan onderzoeken wat het effect is van het gebruik van media op een individu. „Hét effect bestaat niet. Je kunt niet zeggen: gewelddadige games maken de speler ervan agressief. Of: reclame gericht op kinderen onder de vijf is slecht. Of: veel internetten maakt eenzaam. Niet iedereen reageert hetzelfde.” Fel: „Maar je kunt mij niet wijs maken dat sommige mensen niet extreem gevoelig zijn. Die wil ik identificeren. Wie wordt waardoor beïnvloed en hoe? Ik ben geïnteresseerd in uitzonderingen.”

Veel mensen kennen haar van de Kijkwijzer die ze (mede) heeft bedacht. De Kijkwijzer adviseert ouders voor welke leeftijd een televisieprogramma of game geschikt is. „Het wordt soms gezien als een moreel wapen om het gevoelige kind te beschermen. Dat is het niet. De Kijkwijzer geeft productinformatie. Dit zit erin. Een kind van zes kan er bang van worden.”

Gameverslaafd

Zij is, zegt ze, een optimist. „De meeste kinderen kunnen goed omgaan met media. Ouders maken zich druk om hun tieners die gemiddeld zeven uur achter een beeldscherm zitten. Maar doen zij niet precies hetzelfde?” Ouders vragen soms haar hulp. Ze hebben een gameverslaafd kind, of ze zijn bang dat hun kinderen allerlei engs op internet doen. Maar Patti Valkenburg is geen behandelaar en geen opvoedingsexpert. En ze is ook niet uitsluitend geïnteresseerd in het effect van media op kinderen. „Kinderen zijn nog in ontwikkeling. Er zijn fases waarin ze gevoeliger zijn voor de invloed van media. Dat maakt het onderzoek wel heel interessant.” En ingewikkeld. Want bijna alles waarnaar ze in 2008 onderzoek deed – MSN, Hyves, Sugababes, CU2 – bestaat niet meer. „Voor longitudinaal onderzoek is dat een ramp. Alles verandert zo snel.” En de tweede ramp: „Jongeren doen nooit één ding tegelijk. Ze kijken tv én zitten op de iPad. Ze zitten op Facebook én tegelijk sturen ze berichtjes met hun telefoon. De helft van de tijd ben ik bezig nieuwe meetmethodes te ontwikkelen.”

Zal ik je vertellen hoe ik op dit vak gekomen ben?, vraagt ze. Ze studeerde pedagogiek. Liever had ze communicatiewetenschap willen doen, maar die studie, in Amsterdam, vond ze toen „te massaal”. Dus werd het Leiden. Ze volgde een bijvak ‘kind en media’, en mocht zelf empirisch onderzoek doen. Op een zondagochtend in november – vlak voor Sinterklaas – turfde ze de reclames in en rond kinderprogramma’s. „Het waren er 113. Van Baby Born tot McDonald’s. Toen was mijn interesse voor het effect van media gewekt.”

Wat mij dan weer interesseert, is waarom ze pas op haar dertigste ging studeren. „Ik kwam uit een milieu waarin studeren niet vanzelfsprekend was.” Ze is de dochter van een Italiaanse moeder en een Nederlandse vader, die overleed toen ze vier was. „Mijn jongere zusjes, mijn moeder en ik werden opgevangen door de Italiaanse gemeenschap in Delft.” Ze ging naar de havo. Leerde daarna voor secretaresse, en werkte bij een rubberfabriek. Ze ging studeren omdat anderen zeiden dat ze daar slim genoeg voor was. Ze was binnen twee jaar afgestudeerd.

Ze zucht even. Ze denkt dat ik nu ga vragen wat iedereen aan een carrièrevrouw vraagt: ‘hoe zit het met het glazen plafond’. Nu ze het zo zegt, wil ik dat best weten. „Ik heb mijn langetermijndoel opgedeeld in deeldoelen en daar werk ik naartoe. En dan ga ik naar het volgende doel.” Ze lacht. „Ik zie dat plafond dus nooit.” Haar doel is niet: meer macht. „Ik had veel machtiger kunnen zijn. Ik had redacteur kunnen worden bij verschillende gerenommeerde vakbladen. Ik ben gevraagd als president van de internationale beroepsgroep. Dat wil ik niet. Mijn doel is: meer kennis. Al het andere leidt alleen maar af.”

Zoveel focus, ze lijkt wel een man. „Ik heb geen broers gehad en geen vader. Mijn jeugd was anders dan die van andere meisjes. Op mijn tiende plakte ik de banden van iedereen in de straat. Als mijn moeder op zaterdagmiddag boodschappen ging doen, witte ik even de keuken.” Ze zegt dat ze van jongs af aan al wist wat voor haar een goede weg zou zijn. „Geen tweede huis, niet te veel bezit, niet voor te veel mensen verantwoordelijk zijn.” Ze heeft geen kinderen. „Niet te veel afleiding en systematisch werken.”

Ze vertelt hoe ze geleerd heeft een wetenschappelijk artikel te schrijven. „Ik heb er dertig naast elkaar gelegd en ben ze heel precies gaan bekijken.” Ze tikt met haar vinger op denkbeeldige papieren: „Die begint zo, die zo, aha, die is zo opgebouwd.” Net zolang tot ze wist hoe het moest.

In de wetenschap, zegt ze, heb je lumpers en splitters. De lumpers hebben vergezichten, en bedenken veelomvattende theorieën. Zij is een splitter. „Leuke kop voor boven je stuk.” Zij zoekt naar de gaten in theorieën. Wat klopt er niet? „Ik maak er kleine stukjes van. En dan ga ik puzzelen.” Zij is van de duidelijke definities, de afgebakende concepten, de elegante oplossingen.

Frustratietolerantie

En dan zegt ze iets dat zo vlot klinkt, dat ze het wel eerder bedacht moet hebben. „Voor mij is de wetenschap als een online computergame. Je komt steeds een level hoger, je kunt jezelf eindeloos verbeteren. Je kunt het niet alleen doen, maar hebt andere spelers van over de hele wereld nodig. Je frustratietolerantie moet hoog zijn, want het gaat vaak mis. Maar als je succes boekt, krijg je erkenning van alle medespelers.”

Speelt ze weleens een online game?

Nooit, zegt ze. „Ik ben geen gamer. Dat kost zo veel tijd.” Facebook en Twitter, ook tijdrovend. Interessant om te onderzoeken, maar zelf gebruikt ze het niet. „WhatsApp vind ik wel heel leuk. Daarmee doe je wat je toch al zou doen. Kletsen en foto’s sturen. In New York een fotootje van een paar enorme hakken maken. Hup naar mijn zussen whatsappen als mijn nieuwste aanwinst. En dan eindeloos heen en weer.”

Ze gebruikt haar tijd liever om te werken. „Cliché, maar waar. Mijn hobby is mijn werk.” Ze zit nu aan haar „10.000-urennorm”. Die regel is bekend geworden door de Amerikaanse schrijver Malcolm Gladwell. Hij zegt dat succes het resultaat is van talent en heel veel uren oefenen. Na twintig jaar tachtig uur werken per week, is voor haar de oogsttijd aangebroken. „Wat ik vroeger in twee weken deed, lukt me nu in twee uur. Een artikel schrijven, een onderzoek lezen. Alles gaat goed en alles lukt.”

Durft ze dat zo maar, zonder vrees voor de dag van morgen, te zeggen? Ze kijkt me recht aan en zegt: „De wieg schommelt boven een afgrond.” Het blijkt een citaat te zijn, uit de autobiografie Geheugen, spreek van Vladimir Nabokov. Ze kent het uit haar hoofd. „Het gezond verstand zegt ons dat ons bestaan niet meer is dan een vluchtig kiertje licht tussen twee eeuwigheden van duisternis.” Het is haar levensmotto. „Mooi hè,” zegt ze. „Het enige dat we kunnen doen, is zoveel mogelijk genieten van dat ene kiertje licht.”