Zijn lot is kerstballen beschilderen

Dimitri Verhulst schreef een prachtige roman over ‘stervenskunst’: het veinzen van dementie om een pinnige vrouw te ontvluchten. Het is grappig én schrijnend.

Het begint sluimerend. De verstrooidheden worden talrijker en ze steken frequenter de kop op. In plaats van de vuilniszak wordt de wasmand op de stoep gezet, de vuile vaat belandt in de wasmachine. Er groeit een besef bij de directe omgeving, er wordt een arts ingeschakeld, en dan komt de dag dat de familie samenkomt in het ouderlijk huis om afscheid te nemen, waarna de beklagenswaardige afgevoerd wordt, naar een tehuis. Om niets te hoeven missen stellen de buren zich strategisch op in hun voortuinen.

En dan, als ze in de auto stappen, vraagt de oude man in kwestie ineens of ze soms denken dat hij gek is. Dochter: ‘Wat bedoel je, vader?’ Of ze even naar de auto wil kijken. ‘Ik zie niets, papa, echt waar. Toe, zeg mij wat ik moet zien!’ Waarop Dimitri Verhulst, net over de helft van De laatkomer, een van de beste grappen van zijn boek maakt. Hij laat de oude man zeggen: ‘De caravan hangt nog niet aan de trekhaak! We waren bijna weer zonder op pad!’

Die grap is goed omdat het geen leedvermaak is om een demente, maar ‘galgenzelfspot’ van een man die doet alsóf hij dement is. Désiré Cordier, bibliothecaris in ruste, is oud en der dagen zat. Hij wordt in De laatkomer bevangen door het idee om zijn resterende dagen te slijten als Alzheimerpatiënt. Om ervan af te zijn. Om een einde te maken aan zijn lijdzame leven onder het juk van zijn pinnige vrouw, voor wie de liefde al in een ver verleden bekoeld is. Dat is het eenvoudige, maar meesterlijke idee dat ten grondslag ligt aan de nieuwe roman (een forse novelle eigenlijk) van Dimitri Verhulst.

Literair cabaret van formaat, dat verwacht je van dat verhaal over de ‘ietwat zotte levensweg die ik op mijn oude dag ben ingeslagen’, zeker wanneer het afkomstig is uit de pen van Verhulst. Deze schrijver heeft én houdt het patent op tragikomische anekdotes die de ‘helaasheid der dingen’ tonen, om de veelzeggende titel van zijn bestseller uit 2006 aan te halen.

De helaasheid der dingen was een even hilarische als schrijnende serie verhalen over een jeugd in een Vlaams gehucht – maar het bood ook meer dan anekdotiek. Dat gold minder voor bijvoorbeeld De laatste liefde van mijn moeder (2010), dat zich concentreerde op een kleinburgerlijke touringcartrip naar het Zwarte Woud. Daar werd de helaasheid voorspelbaar en kolderiek.

De grappen in De laatkomer balanceren ook weer op de grens van het cliché of ze schieten daaroverheen (echtgenote Moniek is toch echt een karikatuur), maar nu werken ze wel, omdat ze goed geschreven en goed getimed zijn, maar vooral ook omdat ze in essentie wrang zijn. Wanneer Désiré ‘met glans’ gezakt is voor het examen dat zijn geestelijke gesteldheid meet, jubelt hij dat ‘een schonere toneelprijs’ niet denkbaar is. ‘Dat een medisch erkend iemand hem afkeurt als cognitief volwaardig mens, en er vervolgens paperassen in orde worden gebracht die maken dat hij geen bankverrichtingen kan doen en die zijn rijbewijs voor ongeldig verklaren!’

Zijn plan slaagt. Désiré mag zijn intrek nemen in een verzorgingstehuis, waar hij eindelijk ‘vrij’ kan zijn. Denkt hij. De fotolijstjes die zijn vrouw Moniek er ophangt als herinneringen aan zijn verloren verleden, weet hij op een onbewaakt moment in elk geval weer te vullen met foto’s zonder haar beeltenis. En dat zet hij dan lekker aan – en wat kán Verhulst toch schrijven, het schrijfplezier spat van zijn rijke, gepolijste zinnen af: ‘Waar eerder mijn echtgenote met handtas klemvast onder de oksel stond te pronken onder de Eiffeltoren, stak nu de afbeelding van een afgeprijsde prosciuttoham, € 1,99 voor 100 gram. De portretten van onze kleinkinderen, correctie, de portretten van Moniek met de kleinkinderen, verving ik door krantenfoto’s van auto-ongelukken, en de plaats van onze huwelijksfoto werd ingenomen door een luchtbeeld van een Zuid-Amerikaanse krottenwijk. De hoofdverpleging heeft haar moeten troosten en beklemtonen dat zij door haar echtgenoot hoegenaamd niet werd vergeleken met prosciutto. Niet in essentie.’

Maar de onuitstaanbare echtgenote is niet de enige reden voor Désirés zogenaamde dementie. Van zijn petanquemakkers hoort hij dat Rosa Rozendaal, zijn onbeantwoorde jeugdliefde, is opgenomen in Home Winterlicht. En zo komt zij terug in zijn leven, want ook Désiré komt daar terecht – maar de gehoopte bejaardenkalverliefde komt er niet. Háár geestelijke achteruitgang is tenslotte niet gefingeerd.

„Geluk is een van de weinige grote uitdagingen die er nog liggen in de literatuur,” zei Verhulst ooit in deze krant, en met die uitspraak speelt hij in De laatkomer. Ook hier lukt het weer niet om geluk te vinden en vrolijk te blijven. Désirés verlangde vrijheid blijkt toch beperkt en het leven in zalige onwetendheid valt tegen. Niet alleen heeft hij te lijden onder ‘het zelfmedelijden waarmee ik geleidelijk aan volstroomde, omdat ik mij in het verleden veel te weinig had overgeleverd aan dergelijke impulsen’.Jarenlang leefde hij te veel naar de verwachtingen van anderen, maar hij valt van de regen in de drup: nu moet hij voldoen aan het beeld van de infantiele demente. ‘Hoewel volkomen opzettelijk, is het zeer tegen mijn zin dat ik iedere dag opnieuw in mijn bed schijt,’ luidde de eerste zin van de roman al. Zijn lot is bingo, kerstballen beschilderen en gezamenlijk kinderliedjes zingen.

Het wrange van Désirés ‘stervenskunst’ is de kracht van de roman. En passant neemt Verhulst zo, op een niet al te overdreven wijze, de bejaardenzorg op de hak. Waarmee hij het individuele verhaal extra schrijnend maakt, maar het tegelijk het persoonlijke laat ontstijgen.

Zo is De laatkomer het boek geworden waarvan je hoopte dat Verhulst het zou schrijven: de twee loten aan de stam van zijn oeuvre, de maatschappijkritische loot en de anekdotische, komen er perfect in samen. Het bevat de kritische lachspiegel die Verhulst al voorhield in De intrede van Christus in Brussel (2011), het heeft de schrijnende actualiteit uit Problemski hotel (2003) en beide zijn mooi vermengd met de persoonlijke petite histoire over provinciale kleinburgers.

‘Ik kan sociaal zijn, maar ik kan ook intens schijten op de mens,” zei Verhulst in het eerder aangehaalde interview. In De laatkomer lijkt hij zich aanvankelijk van zijn sociale kant te tonen, maar die schijn bedriegt. Dat ligt met name aan de sterke constructie en het gekozen perspectief. Ik-verteller Désiré blijft moppen tappen en de schijn ophouden dat het zo beter is. Maar pijnlijk is de scène waarin zijn dochter voor haar gemoedsrust voorgoed afscheid komt nemen van haar vader, en hem vertelt – omdat hij wel ‘een geheim kan bewaren’ (au!) – dat zij haar man gaat verlaten: ‘Niet dat er vreselijke dingen zijn gebeurd tussen ons. Integendeel. Hij is het beste wat mij ooit overkomen is. Maar het is op.’

Kortom: zij neemt de stap wél op tijd. De veelzeggende reactie van Désiré: stilzwijgend blijft hij nonsens uitkramen. Dement doen.

De compositie maakt ook dat het uiteindelijk gaat schrijnen. Lezend moeten we concluderen dat Désiré in het slothoofdstuk toch wat rooskleurig vooruitblikt op zijn uitvaart. ‘Het is al sedert vele weken, ongetwijfeld, dat Moniek lijdt aan telefoonvrees’, noteert hij.

Ja, ongetwijfeld? Je gaat Désiré de argeloosheid van een Alzheimerpatiënt gunnen.