Wie hier woont moet zich harden

Athene is in verval. Er is geen geld, vaak geen eten en de cultuur takelt af. Beroepsflaneur Chryssopoulos doet verslag van de misère.

A street vendor sells chestnuts as demonstrators gather in front of the parliament in Athens on April 28, 2013. Greek trade unions staged a protest ahead of a parliament vote on a bill that would spur unprecedented public sector job cuts to meet conditions set by Athens' creditors for billions in bailout loans. AFP PHOTO / LOUISA GOULIAMAKI AFP

De rol van de schrijver is uitgespeeld, hoor je vaak. Wat heeft een schrijver nog te melden in een door het beeld bepaalde maatschappij, in een egalitaire samenleving waar sociale media voor iedereen toegankelijk zijn? Een tweet lezen kost seconden, voor een boek moet je uren uittrekken. Wie heeft er nog tijd om te observeren, te reflecteren, om achter de clichés te kijken?

De schrijver bijvoorbeeld, zoals de Griek Christos Chryssopoulos (1968), die van kindsaf een innerlijke drang heeft om door Athene, zijn geboortestad, te dwalen. Hoe ziet een stad eruit waar de crisis al een paar jaar in alle hevigheid woedt? Hoe is het om nu in Athene te wonen en door de diverse wijken en straten te lopen, wat is er veranderd? Dat beschrijft hij in zijn recentste boek Une lampe entre les dents. Chronique athénienne (Een lamp tussen de tanden. Atheense kroniek).

Het beeld dat hij schetst is huiveringwekkend. Over de hele stad hangt een vage dreiging, het afval ligt in hopen op straat, het asfalt is gebroken, niemand die het repareert. Als beroepsflaneur loopt Chryssopoulos al jaren door Athene, in een paar wijken kent hij iedere straathoek, iedere steen. Nu valt hem op hoeveel mensen er stil door de stad zwerven, in portieken zitten, doelloos en gedesoriënteerd bij metrostations hangen. Steeds komt hij mensen tegen die hetzelfde refrein murmelen: ‘Ik heb honger, ik heb honger’. Spoken met een holle blik in de ogen ziet hij, mensen die op de stoep liggen, tussen vuilnisemmers slapen – levend afval, menselijke brokstukken.

De stad is leeg en stil geworden. Nergens wordt aan de weg gewerkt of een nieuw gebouw neergezet. Mensen laten hun auto staan omdat benzine duur is, ze nemen de bus. Wie wél de auto neemt, krijgt ‘hulp’ bij het inparkeren, de loze aanwijzingen zijn voor velen een middel om een paar muntjes te verdienen.

Een van de opvallendste nieuwe geluiden op straat is het metaalachtige gerinkel van supermarktkarretjes, waarin voddenrapers metaal, hout, kabels, alles vervoeren wat enigszins van waarde is. Chryssopoulos’ boek bevat foto’s die hij maakte op zijn tochten door de stad, snelle kiekjes van ‘levende doden’, bedelaars en daklozen, van graffiti, gesloten winkels en besmeurde kunstwerken. De stad is binnenstebuiten gekeerd, schrijft hij. Alles wat vroeger binnenshuis zijn plek had, verborgen voor de blik van anderen, gebeurt nu op straat, voor de ogen van iedereen. Steeds meer mensen worden uit hun huis gezet, ook hele families. Ze bedelen, slapen op de stoep, doen hun behoefte in het park, raken geestelijk de weg kwijt.

Beesten

Chryssopoulos spreekt met een 53-jarige werkloze loodgieter met een chronische longziekte. Zodra hij geld heeft, koopt hij drank, ‘hoe wil je anders kunnen slapen op het grind, tussen de beesten, in de nattigheid?’ Gevaarlijk is het ook, extreemrechtse gangs hebben het op zwervers gemunt, menigeen overleeft het niet.

„Het sociale vangnet was nooit erg sterk in Griekenland”, zegt Chryssopoulos bij een bezoek aan het Passaportafestival in Brussel, „maar er was een hecht familieverband. Nu is dat niet meer voldoende. Als je je werk verliest, ben je aangewezen op de AOW van je moeder, maar die kan dan haar medicijnen niet meer betalen. Zo belanden veel mensen op straat. De onderste bevolkingslaag is al weg, nu raakt ook de middenklasse in de problemen en niemand vangt ze op.”

Politiek verkeert het land in een chaos. „Tot voor kort ging zeventig procent van de stemmen naar de middenpartijen”, zegt Chryssopoulos, „nu is dat dertig procent. Zou veertig procent van de bevolking ineens geradicaliseerd zijn? Nee, natuurlijk niet, de mensen proberen gewoon zo goed mogelijk in leven te blijven. De massa durft niet in opstand te komen, zoals in Spanje, de mensen worden met harde hand onderdrukt.”

Wie in Athene woont, moet zich harden, wennen aan een flinke dosis dreiging en geweld. De stad ondergaat een metamorfose en er loopt een dunne scheidslijn tussen ‘stad’ en ‘non-stad’. Die smalle grens brengt Chryssopoulos in beeld, koel, observerend en zonder drama of pathetiek. Hij kijkt, hij registreert, hij voelt, maar blijft afstandelijk, beschouwend, hij zoekt naar referentiekaders.

Hij leest de stad, zoals hij dat ook deed in zijn eerdere romans, waaronder La destruction du Parthénon (2010), een boek waarin hij iemand een aanslag laat plegen op het Atheense nationale monument bij uitstek, in het hartje van Athene – een metafoor voor wat de stad in de jaren daarna te wachten zou staan. Het Parthenon staat in dit boek symbool voor de Griekse cultuur en identiteit, maar je zou het ook kunnen lezen als een apocalyptische blik op de toekomst van Europa dat enkele jaren later een van de ergste economische crises uit zijn geschiedenis beleeft.

Iedere Griek leeft tussen ruïnes, al generaties lang. Zijn dagelijks leven wordt erdoor gekleurd, schrijft Chryssopoulos. Iedere dag heeft hij het beeld voor ogen van ‘het onvoltooide, het niet-gerepareerde, zelfs van wat helemaal verwoest is’. Misschien is het daarom dat de Grieken niet erg onder de indruk zijn van de ‘menselijke wrakken’ die ze op straat steeds vaker aantreffen. De Griek is het gewend tussen ruïnes te wonen, in zekere zin zijn ruïnes levende materie voor hem. De ruïne weerspiegelt het Griekse zelfbeeld. Was het eeuwen geleden de Griekse cultuur die wereldwijd een lichtend voorbeeld was, tegenwoordig wordt die ernstig bedreigd.

Chryssopoulos ontleent zijn titel, Een lamp tussen de tanden, aan de daklozen die ’s nachts in vuilnisbakken rommelen, op zoek naar iets eetbaars of iets waardevols. Ze klemmen een zaklantaarn tussen hun tanden, om iets te kunnen zien, dwaallichten in het donker.

Spin

Een van de foto’s in het boek laat een muurschildering zien zien van een enorme spin, met grote poten, die zo weggelopen lijkt uit het werk van kunstenares Louise Bourgeois. Die uitgehongerde spin zit in het web dat ze over de hele stad heeft uitgesponnen, schrijft Chryssopoulos: één klein misstapje en ze vreet je op. ‘De spin houdt ons allemaal in de gaten, met haar vervormde ogen, we zijn allemaal een prooi binnen handbereik.’

Een angstaanjagend beeld. „Zo kijken de Grieken naar hun toekomst”, zegt de auteur, „iedereen probeert een manier te vinden om aan dat web te ontsnappen. Je probeert je leven vorm te geven, maar nauwelijks onderweg word je geblokkeerd. De economische middelen worden opnieuw verdeeld, naar ideologie en klasse. Er zijn zelfs mensen die ervan profiteren.” Het culturele centrum waar Chryssopoulos werkte is gesloten, net als theaters en andere culturele instellingen, uitgeverijen zijn failliet, kranten kunnen hun freelancers niet meer betalen. Zelf blijft hij doorlopen in zijn stad, al wordt het er steeds donkerder.