Typisch Piet, dát wilde ik

Het werk van Piet Paris is wereldberoemd, maar alleen Nederland snapt zijn allereerste inspiratiebron: Jip en Janneke. Leuk, maar „het ging met me op de loop”, zegt hij. Deze week opende een grote tentoonstelling van zijn werk en ging de Annie M.G. Schmidtweek van start.

‘Ik ben niet opgevoed met de Vogue op tafel. Bij mij thuis lazen we de Libelle. En nu teken ik voor de Libelle én voor de Vogue. Ik houd als tekenaar van het platte van mode, van het makkelijke. Maar ik ben ook een aanhanger van de school van de ernst. Die twee kanten zitten al in het pseudoniem dat ik voor mezelf verzon: Piet Paris. ‘Piet’, dat is mijn normale, relativerende kant. ‘Paris’ is de glamour van de modewereld, de goody bags, het oh-la-la.

„Bij ons thuis slingerde Jip en Janneke rond, maar eerlijk gezegd heb ik de verhaaltjes nooit gelezen. Voorgelezen? We waren met zes kinderen, van voorlezen kwam het niet. Ik herinner me dan ook geen teksten van Jip en Janneke. Maar ik heb die boekjes kennelijk wel bekeken, want toen ik besloot dat ik tekenaar wilde worden, zaten Jip en Janneke in mijn hoofd en zat Fiep Westendorp in mijn bloed.

„Fiep Westendorp tekende zoals Annie Schmidt de verhaaltjes schreef: quasi kinderlijk, maar niet kinderachtig. Als kinderen tekenen hebben ze bijvoorbeeld geen last van perspectief. Ook Fiep kiest voor gekke platte achtergronden, met een stapeling van horizontale lijnen, inclusief bijvoorbeeld de rug van een koe. Ik pas soms een primitief perspectief toe, maar veel verder gaat het niet.

„Haar belangrijkste les voor mij is hoe zij alles wat ze zag kon vereenvoudigen, soms op het archetypische af. Zo stop ik graag honden in mijn tekeningen, maar een hond van mijn hand is door de snijbonenmolen gehaald. Alles wat er hond aan is, haal ik eraf. Van zo’n Paris-Hiltonhondje, een yorkshire terriër, maak ik het lijfje nóg kleiner en het hoofdje nóg groter. Zijn pootjes en zijn staartje zijn streepjes. Zonder voetjes, ja. Want zulke honden hebben abnormaal dunne pootjes. En toch wordt het geen karikatuur. Dat zijn mijn tekeningen nooit.

„Kijk nu naar Siepie, de poes van Jip en Janneke. Die is een vierkant, een cirkel en een driehoek. Op die drie vormen is de hele wereld gebaseerd, dat geeft zo’n tekening direct een gevoel van thuiskomen. En ook al bestaat zo’n beestje uit elementaire vormen, Fiep geeft het tóch karakter. En dat is heel knap gedaan. Of neem de bloemen van Fiep. Haar waterlelies zijn niet wat Rien Poortvliet ervan zou maken. Poortvliet, dat hadden we thuis ook. Mijn vader vond dat superrealisme geweldig. Ik heb er de pest aan. Het laat niks aan de verbeelding over, het maakt je passief, het appelleert geen moment aan je kennis. Terwijl je alleen al via de haren van een figuur iets wezenlijks kunt uitdrukken. Of het een oudere vrouw is. Of een kind. Of iemand met een driftbui – kijk maar naar het kuifje van Jip als hij boos is. Ik wilde al meteen met mijn tekeningen de werkelijkheid omtoveren tot iets wat helemaal van mij was. Typisch Piet – dát wilde ik.

„Op de kunstacademie was ik een grote fan van Christian Lacroix. Dat is die ontwerper van theatrale mode in alle kleuren van de regenboog, met bloemen en heel veel motieven. In zijn traditie maakte ik voor mijn eindexamen [in 1988] tekeningen van couturejurken, groot van silhouet, met slepen en bollingen. Terwijl ik daaraan werkte, dacht ik onwillekeurig aan Jip en Janneke. Ik besefte dat het allemaal veel beter zou worden als ik die kleurrijke mode zou combineren met zwarte figuren. Toen heb ik die vrouwenfiguren naar hun voorbeeld in silhouet gezet.

„Daarna experimenteerde ik met van alles, maar telkens kwam dit weer boven. De meter sloeg steeds door naar Fiep. Misschien heb ik te vaak gezegd dat haar werk van grote invloed op mij is geweest. Terwijl ik ook heel veel heb gehad aan een andere grootmeester: René Gruau [1909-2004]. Dat was een Italiaanse modetekenaar. In zijn tijd, de jaren vijftig en zestig, gingen alle mannen nog heel formeel gekleed. Hij reduceerde die mannen vaak tot een zwart silhouet – heel erg Jip en Janneke. Op de academie was Gruaus overzichtsboek een bijbel voor mij. Net als Henri de Toulouse-Lautrec, zijn werk heb ik ook van voor naar achter en terug tot me genomen. Maar in Nederland vinden ze Jip en Janneke als inspiratiebron veel leuker dan Lautrec en Gruau. Dus dat bleef hangen.

„Dat Fiepverhaal ging een eigen leven leiden. Het ging met me op de loop. Zo vroeg de Hema me een jaar of tien geleden om een Jip-en-Jannekewinkeltje te maken. Ik nam de opdracht aan, voor het geld. Ik moest Jip en Janneke natekenen. En snoepjes à la Fiep en een worst à la Fiep. Ik vond het verschrikkelijk. Wat ik maakte was oké. Ik kon het wel. Maar ik vond dat het eigenlijk niet kón.

„Europa heeft een schildercultuur, in Japan wordt tekenen veel hoger aangeslagen. De kern van het werk van elke tekenaar is hoe hij de verhoudingen tussen zwart en wit beheerst. Bij Fiep knalt het zwart eruit. Bij Jip en Janneke doet de verhouding tussen zwart en wit bijna Japans aan: precies uitgebalanceerd, weloverwogen en rijk aan het weglaten van details. Zie ik iets van de allerhoogste kwaliteit, dan vind ik het Japans. Dick Bruna is ook Japans. Kijk naar het witte vormpje van het broekje van Janneke in verhouding tot de zwarte beentjes en haar jurkje. Dat is altijd magistraal gedaan. De proporties zijn volmaakt in evenwicht. Het is van een schoonheid, daar kun je universitaire colleges over geven.

„Een moeilijk punt voor elke tekening zijn de handen. Want als je van de school van vereenvoudiging bent, blijft er van een hand niet veel over. Maar ze zijn wel belangrijk. Handen zijn een machtig expressiemiddel, ze ondersteunen elke pose.

„Vandaag tekende ik een meisje, en meisjes staan tegenwoordig allemaal met een mobieltje in hun hand. Ik heb het geprobeerd: een hand met zo’n ding. Tot mijn verbazing werd die hand er heel aantrekkelijk door. Zo’n ontdekking hoort bij de genoegens van dit vak.

„De handen van Jip en Janneke zijn wat slordig. Je ziet dat ze eerst met een kroontjespen zijn gedaan en dat ze daarna met een kwastje werden ingeschilderd, met kloddertjes. In die handjes zie ik de hand van Fiep, bezig met tekenen. Dat vind ik zo lief.’’