Ruim de goden als gekke koeien

Na tien jaar stilte zijn er weer nieuwe gedichten van Mustafa Stitou. Alle gaan in zekere zin over god, goden of religie, als een zoektocht naar zin.

Hij viel gelijk op. De bundel Mijn vormen van Mustafa Stitou, die in 1994 verscheen, was een van de opmerkelijkste debuten van de jaren negentig. Hij was toen pas twintig. Het was een onderdeel van een tweeluik, zo bleek in 1998 toen de bundel Mijn gedichten uitkwam. Die beide bundels, zeer gelijksoortig in toon en stijl, vestigden zijn naam als dichter van uiterst precieze, uitgebeende gedichten, wars van gewichtigdoenerij, die met een wonderlijk effectieve mengeling van ironie en ontroering de absurditeiten van het leven illustreren aan vaak schijnbaar onbenullige voorvallen. Ze werden in 2000 samen in één band herdrukt.

De critici beschouwden hem als een van de grootste talenten en mede dankzij zijn magistrale manier van voordragen wist zijn poëzie ook haar weg te vinden naar een relatief groot publiek. De hooggespannen verwachtingen werden ingelost met de fenomenale bundel Varkensroze ansichten (2003), die terecht werd bekroond met de prestigieuze VSB Poëzieprijs. Zo was hij nog voor zijn dertigste, de leeftijd waarop de meeste dichters debuteren, geloofd, geliefd en gelauwerd.

Maar daarna werd het stil. Hij werkte een tijdje aan een roman, maar die heeft hij nooit afgemaakt. Hij trad nog geregeld op en mocht zich in 2009 stadsdichter van Amsterdam noemen, maar afgezien van een enkel gedicht hier en daar verscheen er geen nieuw werk meer.

Die radiostilte duurde maar liefst tien jaar. Tien jaar is lang. In die periode had Nederland vijf verschillende regeringen en twee verschillende vorsten. Er verschenen naar schatting een kleine 1500 dichtbundels, maar geen enkele van Stitou, terwijl we daar toch echt op zaten te wachten.

En nu verschijnt na tien jaar eindelijk zijn vierde bundel. Hij heet Tempel en het zal duidelijk zijn dat alleen het verschijnen al een literaire gebeurtenis van formaat is.

Het eerste wat opvalt, is dat Tempel voor een bundel waar tien jaar aan is gewerkt, niet buitensporig omvangrijk is. Hij bevat 27 gedichten, dat zijn er nog geen drie per jaar. Je krijgt niet de indruk dat de dichter al die tijd gedichten heeft zitten op te potten als gehamsterde waar in een schuilkelder. Kwantiteit telt niet in de poëzie, dat weet ik ook wel, maar ik moet toch even kwijt dat ik teleurgesteld ben dat Stitou ons niet méér nieuwe gedichten heeft gegeven. Want wat hij ons geeft, is wel erg goed. Ouderwets goed, zou ik bijna zeggen.

Tempel is, misschien ook mede dankzij de relatief bescheiden omvang, bijzonder coherent. Waar zijn eerdere bundels, ondanks een grote diversiteit aan onderwerpen en thema’s, een gevoel van samenhang vertoonden in de constante toon van ironie en ontroering, wordt deze nieuwe bundel gekenmerkt door een centrale thematiek. Zoals de titel al doet vermoeden, gaan alle gedichten in zekere zin over god, goden of religie. Maar anders dan in Stitou’s eerdere werk speelt zijn islamitische achtergrond nauwelijks een rol.

De bundel opent met een prozagedicht waarin de ik-figuur zijn islamitische vader begraaft. Of beter gezegd, de vader begraaft zichzelf. ‘Met woeste armbewegingen dichtte ik het graf.’ Dit valt te interpreteren als een afscheid van de godsdienst van zijn ouders. ‘Hij moet van zijn god met zijn gezicht naar het oosten liggen, dacht ik, richting Mekka. Gelukkig vraagt hij me niet waar het oosten is, want ik weet het niet.’ Deze onwetendheid die gepaard gaat met het begraven van de schijnzekerheden van het oude geloof, vormt het vertrekpunt van de bundel.

In een prozagedicht in zijn vorige bundel, Varkensroze ansichten, schetste Stitou een ironisch zelfportret als volgt: ‘Ofschoon de conceptueel-“anekdotische”, op z’n minst anti-metafysische dichter met vrome verwondering naar de hemel kon kijken, ontging hem wat er op aarde gebeurde niet: twee kutmarokkaantjes met andermans scooter aan de haal.’ Hoewel het misschien niet de allerdiepste bedoeling van de dichter zal zijn geweest dat we dit ironische prozagedicht al te zeer op hemzelf betrekken, had hij nauwelijks een treffender karakteristiek kunnen geven van de poëzie die hij in die tijd schreef.

En dit is ook precies waarin Tempel verschilt van zijn eerdere werk. Deze bundel is veel minder conceptueel-anekdotisch. Er komt geen kutmarokkaantje in voor. En hoewel Stitou nog steeds net zo wars is van pretenties als in zijn eerdere werk, kun je Tempel onmogelijk anti-metafysisch noemen. Integendeel. Je zou de hele bundel kunnen beschouwen als een zoektocht naar zin.

De speurtocht naar onze plek in de kosmos begint bij de oude mythen, in de gedichten over stieren. Het eerste gedicht gaat over Zeus die in de gedaante van een stier Europa verleidt, ontvoert en verkracht. ‘Groots speelde u het spel, // boog majestueus maar tam / voor haar voetjes neer // met onweerstaanbare halskwabben / en kleine hoorns van goud, // steeds minder bevreesd / streelde ze je, malse // koningsdochter.’ Maar tegenwoordig zijn de rollen omgedraaid. Niet goden, maar mensen zijn de baas van de dieren. Een stier is geen oppergod in vermomming, uit op een verzetje, maar een fokstier die een fortuin oplevert:

ik heb mijn trots: felbegeerd

zijn mijn eigenschappen,

over heel het ondermaanse stroomt uit

mijn zaad, met duizenden

zijn mijn gedoemde nakomelingen

van hoogstaande kwaliteit nu

stervelingen de dieren bestieren

en u en de uwen o Heer

de goden zijn geruimd.

De mythe is geïndustrialiseerd. Zeus verwekte duizenden nakomelingen, halfgoden van hoogstaande kwaliteit. De mensen hebben dat trucje afgekeken en hebben de goden niet meer nodig. Ze zijn geruimd als gekke koeien.

En die gekke koeien krijgen we ook. Verderop in de bundel is een reeks aan hen gewijd, de ‘Koeiensuite’.

Waar denk je aan, Doortje,

Wanneer je de robot betreedt,

Zijn laserstraal je uier aftast –

Ontsnappen aan de stal

En dit systeem? Door uitgestrekte

Grasvlakten draven, Doortje?

En tegen het einde van de bundel staat de reeks ‘Soms ontsnapt ons’ waarin we zien waar zulk escapistisch gedrag toe kan leiden. ‘Een koe loopt de pastoor van zijn Gazelle. / Ramt een politieauto. En nog een. / Moet de snelweg worden afgesloten? // De snelweg moet worden afgesloten. / Een dag voor de slacht vlucht een koe / de omliggende bossen in. // Omdat ze een gevaar is voor recreanten mag ze dood.’

Het op één na laatste gedicht van de bundel, met de veelzeggende titel ‘Beginselen’, is een heuse utopie. Maar die stemt niet vrolijk, want alles zoals het zou moeten zijn, is precies omgekeerd als hoe het in werkelijkheid is. ‘Met iedere groet maken we / nieuwe hersencellen aan, met ieder vriendelijk woord. / Niets bedroeft de burger meer dan een bedroefde / buurman of –vrouw. In elk bestuurslichaam / domineren moederfiguren. [...] Burenruzies lopen op bruiloften uit of levenslange / vriendschappen.’ Daarmee is deze utopie eigenlijk een dystopie die de waanzin van onze verworden wereld genadeloos blootlegt. De stieren en koeien en alle andere dieren in deze bundel, waaronder kraaien waarin mensen gevangen zitten, namelijk ‘klerken uit de jaren dertig van de vorige eeuw’, vormen een soort met stomheid geslagen, woordeloos koor dat slechts met absurde daden de voortgang van de tragedie kan becommentariëren die zich ontvouwt sinds de mensen de schepper hebben ontslagen en de schepping hebben overgenomen.

Zo er hoop geboden wordt in deze bundel, wordt die geboden door de dieren. Maar we moeten niet denken dat dat er zachtzinnig aan toe zal gaan. ‘De aardbol rust nota bene / tussen de hoorns van een stier [...] O wee / als de stier straks uit wraak nee // schudt met zijn hoofd nee / dit gaat zo niet langer schudt. // Zijn we verloren. Jij de politie de dieren en ik / en die kinderen – verloren. // Je wilt niet weten hoe dat voelt. / Huilend verdrinken.’

Huilend verdrinken, daar gaat deze bundel over. Ondanks alle ironie. En het is zelden zo wrang en precies verwoord.