Op Cannes bepaalt de kleur van je pasje je levensgeluk

NRC-filmredacteur Coen van Zwol is op het filmfestival van Cannes en blogt daarover. Dit is zijn eerste bijdrage, over de opening van het ‘festival van van rangen en standen, privilege, status en titel’.

Model Cara Delevingne poseert op de rode loper voor de screening van The Great Gatsby. Foto Reuters / Loic Venance / Pool

NRC-filmredacteur Coen van Zwol is op het filmfestival van Cannes en blogt daarover.

De kop is eraf. Vuurwerk boven de haven, sterren op de rode loper: de 66ste editie van Cannes begon woensdag met The Great Gatsby. Dat betekent: twaalf dagen roltrap op, roltrap af in het Palais des Festivals, met vierduizend andere journalisten dringen om de films te zien, plaatsen aan ronde tafels te bemachtigen, stukken te schrijven en te roddelen.

Dat Cannes keihard werken is, stuit doorgaans op hoongelach, en niet onterecht. Maar het is wel een festival van rangen en standen, privilege, status en titel. Dat begint al bij de filmcompetitie, een feest van gevestigde namen. Maar het geldt ook voor de pers. De kleur van je pasje bepaalt hier in hoge mate je levensgeluk.

Natuurlijk is het al en privilege om überhaupt in die monsterlijke bunker van het Palais de Festival te mogen, met gratis Nespresso, St. Pellegrino en glimdrukwerk. Dat voorrecht deel je met zo’n 27.000 filmprofessionals en 4.000 journalisten, maar op de stoep van het Palais staan dagelijks honderden jongeren, en ook bejaarden in de motregen, hoopvol, in smoking of cocktailjurk, met bordjes: ‘tickets please’. Om nog te zwijgen van die dagjesmensen die de hele dag op hun keukenstoeltjes bij de Rode Loper wachten op een glimp Leonardo di Caprio.

Dan de kleur van je pas. Gele, oranje, blauwe en roze passen, dat is hiërarchie. Dan volgt de roze pas met een geel stipje, en tenslotte de felbegeerde carte blanche, waarmee je op de schouders van suppoosten naar de beste plek in zaal Lumière of Debussy wordt getild, waar jeugdige vrijwilligers je koelte toewuiven met pauwenveren.

Dat stel ik me althans voor, maar ik ben al in de zevende hemel nu ik in mijn derde jaar dan eindelijk de rang ‘roze pas met gele stip’ veroverde. Zo’n gele stip maakt al het verschil in de wereld. Het bepaalt hoe vroeg je een voorstelling of persconferentie binnen mag. Heb je een blauw pasje, en je wil naar een gewilde film als Sofia Coppola’s The Bling Ring, dan moet je anderhalf uur van tevoren in jouw rij gaan staan, zonder garantie dat je ook daadwerkelijk binnen komt. Met je roze pas plus gele stip wandel je daarentegen een kwartier van tevoren zomaar over de rode loper, met een hautain knikje dat volk met roze pasje en minder in de regen achterlatend.

Goed, ik heb voor dat gele stipje dingen gedaan waar ik niet trots op ben. Want eigenlijk was me opnieuw slechts een roze pas toebedeeld. Dus dat werd flemen, smeken, opscheppen, vleien tegen een naar baasje in een cremekleurig pak. Dat een lokaal sufferdje als Het Parool wel een gele stip had, en de beste krant van Nederland, met een gezamenlijke oplage waar de Volkskrant niet aan kon tippen, niet! Het was gewoon … vreemd. Men ging het ‘onderzoeken’, en belde later die avond: het klopte, die gele stip kwam me toe. Hoog tijd.

Egalitaire Nederlanders kijken een beetje neer op de Franse obsessie met rang en privilege. Maar het is een feit: na een keer Cannes denk je al aan niks anders dan een geel stipje.