Kabouters moet je stevig martelen

Gnomes playing lawn darts. © Nick Vedros 2008

Vaak is het een slecht idee om het onvertaalde debuut van een schrijver die het inmiddels heeft gemaakt alsnog in vertaling uit te brengen – zo was het lezen van Salman Rushdies debuut Grimus, vorig jaar voor het eerst in vertaling uitgebracht, een uiterst pijnlijke ervaring.

Daarom ben je geneigd met meer dan een beetje voorzichtigheid te beginnen aan Superlijm van de Israëlische schrijver Etgar Keret. Inmiddels internationaal gelauwerd en in elk land waar zijn boek te krijgen is, is het een gegarandeerde hit – niet in de laatste plaats in zijn eigen land – en eigenlijk kan zo’n debuut dan alleen nog maar tegenvallen.

Zeker wanneer je bedenkt dat Kerets korte, meestal absurde verhalen, die vaak politiek geladen zijn en uit het eind van de jaren tachtig, begin van de jaren negentig dateren, wel eens achterhaald kunnen zijn. In het beste geval herken je in het debuut al iets van het latere genie, of dan in elk geval de thematiek van het succesvolle werk. Dat laatste is gelukkig het geval bij Keret. Net als in zijn latere verhalen barst het in dit debuut van de kabouters. Ze komen bijvoorbeeld met kratjes bier een man troosten die door zijn vriendin is verlaten. Of ze worden gemarteld omdat ze met een licht Russisch accent spreken.

Verder absurde situaties genoeg: een Arabier die wordt opengesneden waarna er vlaggetjes, snoepjes, blaadjes en telefoonmuntjes uit zijn buik komen. Een militair krijgt een kogel tussen zijn ogen omdat hij te veel praat. Het praten stopt echter niet, de dode man laat zich niet de mond snoeren.

Keret wil, zoals al vaker is opgemerkt over zijn andere bundels, door surreële situaties neer te zetten niet zozeer de werkelijkheid ontvluchten, maar de idiotie daarvan tonen. Het geeft zijn werk het luchtige karakter dat bij veel Joodse schrijvers nog wel eens ontbreekt: wrang wordt omgezet in absurd en daarmee verandert de toonzetting.

Naakt

Overigens gaat het in deze bundel niet alleen om een serie gewelddadige sprookjes, er zijn ook genoeg realistische verhalen; dan gaat het bijvoorbeeld over een conciërge met een oorlogstrauma wiens fiets is gesloopt door de nieuwe generatie Israëliërs. Of om een zoon van het hoofd van de Mossad die vernederd wordt in een park en naakt moet terugkeren naar huis, waar zijn vader geen mededogen maar walging toont.

Het gaat al met al in deze bundel vooral om de zoektocht naar betekenis: waarom zou je een bepaalde beslissing nemen, een positie kiezen, waarom zou je er überhaupt zijn? Vragen die aan de basis liggen van zijn schrijverschap nadat – zoals Keret in interviews telkens uitlegt – een vriend van hem zelfmoord pleegde omdat deze de zin van het bestaan niet kon ontdekken. Keret kon de vriend geen antwoord geven en zoekt dus al sinds de vroege jaren negentig in verhaalvorm naar de antwoorden.

Het nadrukkelijkst is die zoektocht in Superlijm terug te vinden in het verhaal ‘Voor maar 19,99 sjekel (inclusief btw en verzendkosten)’ waarin een zoon tot hoongelach van zijn vader de betekenis van het leven via een internetboekhandel bestelt. Wanneer hij voor 19,99 sjekel daadwerkelijk het licht gezien meent te hebben plaats hij andere bestellingen om zijn boodschap aan de man te brengen. Het bestaansrecht voor 19,99 sjekel – dat is geen geld.

De verhalen in Superlijm zijn goed, zoals we van hem gewend zijn. Zo ook het titelverhaal waarin de vrouw alles vastlijmt en wanneer haar man een avond niet vreemdgaat en haar met haar voeten aan het plafond ziet vastgeplakt opnieuw zijn liefde voor haar gewaar wordt.

Maar natuurlijk is er in de loop der jaren wel iets veranderd in Kerets werk. Zijn verhalen in het debuut zijn gewelddadiger en bozer. Ongetwijfeld omdat de zelfmoord van de vriend nog verser in het geheugen lag.

Verhalender

In een interview met The Observer vorig jaar legde Keret uit waarom hij eerder als een Joodse schrijver moet worden zien dan als een Israëlische: „Er schuilt iets reflectiefs in het Joodse schrijven, terwijl Israëlisch schrijven actiever en verhalender is.” Een interessante uitspraak, waarvan je je kunt afvragen of die ook voor zijn debuut opgaat. Die verhalen draaien, ondanks de idiote situaties waarin de personages terecht komen, toch eerder om een gebeurtenis dan om de reflectie. De personages zijn vaak zo woest dat ze elke keer tot handelen overgaan: ze begaan een geweldsdaad of plegen zelfmoord.

Zelfs een verhaal over het hiernamaals eindigt met de mededeling dat je je speelkaarten moet meenemen, omdat de bewoners van het paradijs het knikkeren behoorlijk de keel uithangt. Daarom is het goed dat deze bundel er is. We zien de sporen van de Israëlische schrijver hier langzaam wijken voor die van de Joodse schrijver die Keret later zou worden.