'Ik voel de polsslag van de tijd'

De Deense thrillerschrijver Jussi Adler-Olsen geldt als de beste in zijn genre, ook omdat zijn boeken zo’n goed beeld geven van de moderne maatschappij. „Ik wil tonen wat er achter de schermen gebeurt.”

Nederland, Amsterdam, 10-05-2013 foto: Bram Budel. De Deense thriller auteur Jussi Adler-Olsen. Bram Budel

ij stopt even met lachen, wordt nu serieus. „Het is tegenwoordig niet zo gemakkelijk om in Denemarken grappen te maken”, zegt thrillerschrijver Jussi Adler-Olsen, een joviale, praatgrage man, die ongehinderd doorpraat als hij even een krukkige Engelse zin heeft gemaakt. Hij heeft net verteld dat de Denen naar zijn idee „de latino’s van het noorden” zijn. „Ons land is piepklein en we hebben niks. Je hoeft in Noorwegen maar een schop in de grond te steken en je vindt grondstoffen die je te gelde kunt maken. Wij moeten creatief zijn en innovatief, en openstaan voor de buitenwereld. Zweden is de grote zus die met een wijzende vinger staat te zeggen hoe het allemaal moet, Noorwegen is de jongen die altijd afwezig is omdat hij in de kroeg zit, en Denemarken is het rare jochie, het verwende kind.”

U heeft er nogal over nagedacht? Geeft u er zoveel om?

„Nee, nee, helemaal niet. Maar ik krijg in interviews zo vaak de vraag hoe het toch komt dat Scandinavische thrillers het zo goed doen. ‘Waarom zijn ze toch allemaal zo ...?’ Vul maar in. Om dat uit te leggen moest ik wel over de verschillen tussen de landen gaan nadenken.”

En wat zegt u dan? Wat zit er achter het succes van de Scandinavische thriller?

„We hebben het allemaal koud in Scandinavië. Het is donker. Extreem donker. Dus als je kort door de bocht wilt, kun je zeggen dat we goede verhalenvertellers hebben omdat we zo veel binnen bij de haard zitten. Er zit wel een kern van waarheid in, maar ik denk dat je beter kunt zeggen dat Henning Mankell, Jo Nesbø en ik ongeveer van dezelfde generatie zijn en dat we pas laat in onze levens veel materiële goederen tot onze beschikking kregen. We moesten ons vermaken met iets anders, met verhalen. Daarom lijken we een beetje op elkaar. En omdat we een gemeenschappelijk voorbeeld hebben: Sjöwall en Wahlöö.”

Nog een overeenkomst tussen Henning Mankell, Jo Nesbø en Jussi Adler-Olsen is hun succes: de drie zijn momenteel de grootste thrillerauteurs van Scandinavië en hun roem strekt tot ver daarbuiten. Het succes van Adler-Olsen (1950) is het jongst, maar in Nederland momenteel ook het meest indrukwekkend: hij is de Stieg Larsson van nu, de thrillerschrijver die iedereen leest. Zijn nieuwste boek Het Marco-effect bestormde onlangs in de week van verschijning de bestsellerlijsten. Het stootte John Williams’ Stoner van de troon, na maandenlange, vrijwel ononderbroken heerschappij.

Het boek is het vijfde deel in de ‘Serie Q’, over de afdeling van de Kopenhagense politie die cold cases bestudeert. Niettemin weerspiegelen de zaken die Adler-Olsen behandelt de polsslag van de tijd: Het Marco-effect gaat over de jonge zigeuner Marco, die op de vlucht is voor zijn criminele familie, verweven met een verhaallijn over zelfverrijkende bankiers en malafide ontwikkelingswerkers.

Wat leerden Sjöwall en Wahlöö u?

„Zij deden ons voor hoe je sociale en politieke onderwerpen kon beetpakken en toch goede dialogen kon blijven schrijven. Dat zag je niet vaak, indertijd. Eenvoudig, maar niet simpel. Het is zo gemakkelijk te lezen, terwijl ze helemaal geen simpele onderwerpen aansnijden. Dankzij hen staat er nu veel tussen de regels in Scandinavische thrillers: de sentimenten, de duistere en grijze kanten. Ik zet graag het typisch Deense tussen de regels, ook onze humor. Al is het tegenwoordig niet gemakkelijk meer om grappen te maken.”

Hoe is dat gekomen?

„Het is misgegaan in de jaren negentig, onder de liberaal-conservatieve premier Anders Fogh Rasmussen, die nu de secretaris-generaal is van de NAVO. Hij heeft alles verpest. Mensen werden grof, bekommerden zich niet meer om anderen. Het was ‘ik, ik, ik’, en dat is niet erg Deens. Het materialisme heeft overwonnen, de verzorgingsstaat is uitgekleed.”

En de mensen zijn minder vatbaar geworden voor humor?

„Het is moeilijker om lollig te doen over serieuze zaken, mensen voelen zich aangevallen, of vinden simpelweg dat je over serieuze zaken ernstig moet doen. Maar de grootste verandering is dat we in Denemarken minder empathisch zijn geworden. Terwijl empathie het allerbelangrijkste is in een samenleving.”

Een gebrek aan empathie, dat klinkt wel als een goede voedingsbodem voor een thrillerschrijver.

„In een perfecte samenleving zou iemand als Marco niet bestaan hebben. Voor dit verhaal werd ik al geïnspireerd in de jaren tachtig, toen ik in Nederland woonde en jullie nog een heel redelijke verstandhouding hadden met immigranten. Dat zij hierheen kwamen uit de koloniën was een natuurlijke ontwikkeling. Maar ik zag ook de hiërarchie: onderaan stonden de Molukkers. In Denemarken had ik nooit gezien dat er zo’n hiërarchie was onder immigranten. Het leek me mooi om over zo’n jongen te schrijven: de laagste van het laagste, totaal stateloos en cultuurloos. Wie zal zich om hem bekommeren?”

Dat was voor u het beginpunt van Het Marco-effect?

„Het is niet het enige. Het Marco-effect is feitelijk hoofdstuk nummer vijf in het grote verhaal van de Serie Q, die tien delen moet krijgen. Ik beschouw het als één verhaal van 4.600 bladzijden, met een heel eigen spanningsboog en langetermijnontwikkelingen. Dat is een hele puzzel: deel drie was bijvoorbeeld één grote achtervolging, waardoor deel vier weer een wat slanker, korter, klassieker verhaal moest worden – en in deel vijf moest het tempo dan weer iets omhoog. Een achtervolging te voet moest het worden. Het lage tempo maakt het intens, als een koortsachtige, doorlopende nachtmerrie.”

U klinkt als een fanatiek plotbouwer. Schrijft u daarom thrillers?

„Ik schrijf vooral thrillers omdat je er alles in kunt verwerken. Sociale kwesties, religie, heden en verleden, mensen uit alle sociale lagen die met elkaar in contact komen. Als ik een tankerschip op de Atlantische Oceaan doormidden wil laten breken, kan dat. Ik heb met Carl Mørck een rechercheur gekozen die er geen bal om geeft of hij ontslagen wordt. Zo kan ik doen wat ik wil.”

Mørck is een personage dat door de serie heen een ontwikkeling doormaakt. Dat is in het thrillergenre eerder uitzondering dan regel.

„Dat was ook mijn grootste wens met deze serie: voor boeken die een heel leven beschrijven moet je zijn bij De Buddenbrooks of De gebroeders Karamazov, niet bij thrillers. Ik wilde van mijn personages geen clichés maken, maar laten zien dat Carl, en ook zijn compagnon Assad, zowel goede als slechte kanten hebben. Ik groeide op in de nabijheid van een psychiatrisch ziekenhuis, omdat mijn vader daar arts was. Zo leerde ik dat goed en kwaad heel goed verenigd kunnen zijn in één persoon. Ik wil het hele spectrum tonen. De lezer moet verrast worden en kunnen raden naar goed en slecht.”

Wat is voor u belangrijker: lezers vermaken of hen uitdagen, door de vinger op de zere plek van de maatschappij te leggen?

„Amuseren is het belangrijkste, anders legt de lezer het boek weg. Het verhaal moet behapbaar zijn, met hier en daar wat humor, weer een grapje van Assad over kamelen en de oude suspense-trucs van Hitchcock. Maar het gaat ook over de slechte kanten van de maatschappij, ja. Kijken naar wat er buiten in de samenleving gebeurt, of daarover lezen in de krant, is mijn grootste bron van inspiratie. Tussen de regels zie je de vragen van onze tijd. Een journalist beslaat maar een klein gebied: hij brengt verslag uit van gebeurtenissen, maar speculeert niet verder over de grote lijnen. Ik kan met een gebeurtenis aan de haal gaan, de verdere consequenties overdenken en tonen wat er gebeurt als een bepaalde beslissing genomen wordt. Als dat je methode is, voel je de polsslag van de tijd. Soms heb je een mazzeltje: De vrouw in de kooi verscheen net na de bevrijding van Natascha Kampusch. Het boek gaat over zo’n situatie. Dat was goede PR voor mij: je dacht dat het onbestaanbaar was, maar dan blijkt het ineens toch mogelijk.”

En nu voeren wij de discussie over de strafbaarstelling van illegaliteit. Nederland is niet meer het land dat u zich herinnert.

„De publieke opinie is veranderd, maar natúúrlijk veranderde die, onder invloed van nieuwe ontwikkelingen in de wereld. Het Schengen-verdrag, toename van armoede in andere landen – het vergt aanpassing. Maar dan graag wel met empathie en op basis van consensus. Politici moeten niet kiezen voor het compromis, daar wordt niemand gelukkig van. We moeten een consensus vinden. Zoek een nieuwe oplossing!”

Speculeren over onze tijd, ziet u dat als uw taak als schrijver?

„Journalisten zijn daarvoor het belangrijkste, maar zij evalueren niet vaak over de grote bewegingen in de maatschappij. Als er nieuwe politieke beslissingen genomen worden, moet je mijmeren over de consequenties. Heeft u wel gedacht dat dít kan gebeuren als we déze beslissing nemen? Ik wil tonen wat er achter de schermen gebeurt.”

Er zijn in uw thrillers altijd grotere machten aanwezig waartegen het moeilijk vechten is.

„Die zullen er altijd zijn. Maar ik wil uitleggen dat ze niet met alles weg kunnen komen: al mijn boeken gaan over machtsmisbruik, kleinschalig of juist veelomvattend. In een democratie zijn politici de dienaars van het volk, niet onze overheersers: dat is het belangrijkste. Ik probeer de gedachten van mijn lezers daarvoor te openen. Dossier 64 stelde misbruik in ons ziekenhuissysteem aan de kaak, dat jaren heeft geduurd. Deze generatie komt daar niet meer mee weg, terwijl het nog geen issue was voordat het boek verscheen. Nu kijken de mensen iets meer om naar de kleine Marco’s die in onze steden leven. Met meer empathie, hoop ik. Je kunt niet meer langs hen heen kijken.”

Is dat het Jussi-effect?

(lacht) „Zo zou je het kunnen noemen.”