Ik heb een droom: een recyclehuis

Helmond wil als proef betaalbare en duurzame woningen bouwen. Misschien wel huizen die maar vijfentwintig jaar meegaan. „Iedere generatie stelt zijn eigen wooneisen”, zegt wethouder Stienen.

De Helmondse wethouder Frans Stienen heeft een Amerikaanse Droom. Hij ziet vrijstaande, houten woningen in zijn Brabantse gemeente verrijzen. Betaalbare en duurzame huizen met van die mooie veranda’s uit Florida of Californië. „Zoals in de suburbs waar de krant tegen de voordeur wordt gegooid”, zegt Stienen op zijn werkkamer.

De CDA-wethouder voor stadsontwikkeling, grondzaken, volkshuisvesting én citymarketing heeft zelf familie in de Verenigde Staten gehad, vertelt hij. „‘Wat is de kostprijs van zo’n huis?’ vroeg ik ze dan. Nou, 130.000 à 140.000 euro. Dan sta je toch echt te watertanden. Wij maken hier rijtjeshuizen die drie keer zo duur zijn.”

Stienen heeft de Technische Universiteit Eindhoven onlangs gevraagd om verkennend onderzoek te doen. Het einddoel is een pilot om twintig à vijfentwintig huizen van de toekomst in Helmond te bouwen. Woningen die betaalbaar en duurzaam zijn, maar ook een optimale levensduur hebben.

Zelf denkt Stienen aan huizen van een ton die een kortere periode, twintig à vijfentwintig jaar, meegaan. Bijvoorbeeld van hout, maar het mag van hem ook ander recyclebaar materiaal zijn. ‘Wegwerphuizen’ werden ze al snel in online media gedoopt.

Dat is journalistieke vrijheid, maar niet de bedoeling, zegt hij. „Je mag best weten dat ik in de gemeente het verwijt kreeg: als je woningen neerzet die je na twintig jaar kunt afbreken, ga je een achterbuurt maken. Nee, dat is niet de uitstraling. Kwaliteit is een basisvoorwaarde.”

Groei is niet meer vanzelfsprekend voor Helmond, staat in de Woonvisie 2012-2020. De jarenlange instroom stokt en de bevolking vergrijst. De helft van de woningvoorraad (ruim 38.000 woningen) is van na 1980. Tegelijkertijd zijn veel huurwoningen verouderd en veel koopwoningen te duur voor starters en ouderen. Voor deze doelgroepen zoekt Helmond een nieuw woonmodel.

De woningen in de gemeente worden gemiddeld vijftig jaar geëxploiteerd, maar gaan vaak langer dan een eeuw mee. Daarnaast veranderen de kwaliteiteisen om de zoveel jaar en smijten nieuwe bewoners er vaak tienduizenden euro’s tegenaan. „Jonge stellen houden niet van bruine tegeltjes en houten plafondbalken – beetje Brabantse stijl”, zegt Stienen. „Dus gaan de keuken, badkamer en vloer eruit. Allemaal kapitaalvernietiging. Iedere generatie stelt zijn eigen wooneisen. Dus dacht ik: waarom geen woning die je na een generatie afbreekt?”

Jos Smeets, hoofddocent vastgoedmanagement aan de TU Eindhoven die het onderzoek voor Helmond uitvoert, zegt het heel diplomatiek binnen de betonnen muren van de universiteit. „De afschrijving van vijfentwintig jaar is relatief willekeurig gekozen”, vindt Smeets. „Theoretisch zou die variant eruit kunnen rollen, maar gemiddeld verhuizen mensen al om de zeven jaar.”

Na de eerste publiciteit heeft de onderzoeker bij de wethouder benadrukt dat alle opties open liggen – en dat begrijpt de wethouder best, zegt hij. „De stelling van de wethouder is een beetje: ‘een kortere levensduur is goedkoop’. Nou, ik denk dat het omgekeerde waar is. Hoe langer de levensduur, hoe lager de kosten. Je kunt juist ook denken aan een extreme levensduur van tweehonderd jaar. Kijk naar de oude Philips-fabrieken in Eindhoven die worden omgebouwd tot appartementen en lofts.”

In Amerika bepaalt de dure grond bijvoorbeeld 70 procent van de huizenprijzen – en de daarmee vooral ook de restwaarde bij verhuizen of sloop. Ter vergelijking: in Nederland bepaalt de grondprijs eerder 30 procent van de huizenprijzen. Bij sloop van een huis na vijfentwintig jaar blijft buiten de waarde van de grond en de recyclebare materialen dus weinig meer over. Het is het einde van de woning als investeringsobject.

„En houten skeletbouw is een ver ontwikkelde bouwmethode die wij nauwelijks gebruiken”, zegt Smeets. „Je moet voorzichtig zijn met het importeren van dit soort ideeën naar de Nederlandse context. Maar goed, het kan best zijn dat dit een mogelijkheid is voor onze situatie.”

Met literatuur en interviews hoopt Smeets de optimale verhouding te vinden tussen de technische, functionele en economische levensduur. Hij kijkt ook naar een aantal bestaande concepten. Ballast Nedam bijvoorbeeld verkoopt de gestandaardiseerde IQ-woning, klaar in zes weken. Het Eindhovense architectenbureau Van den Pauwert heeft een smalle woning (4,8 meter) ontworpen voor mensen met een, jawel, smalle beurs. Ikea verkoopt al enkele jaren houten ‘BoKlok’-woningen en er is zelfs een ecologisch huis van geperst stro in ontwikkeling.

„Er zijn ook mislukte woonexperimenten en daar hebben we van geleerd”, zegt Smeets. Breda bouwde in de jaren tachtig meer dan zestig aluminiumwoningen met ’s zomers saunatemperaturen en ’s winters vastgevroren deuren. Helmond wilde nog vóór Rotterdam een woud van 183 kubuswoningen bouwen, maar het bleef bij drie stuks. De ergonomische bolwoningen in ’s-Hertogenbosch werden bijna afgebroken omdat ze lekten.

Maar dat betaalbare en recyclebare woningen de toekomst hebben is zeker, volgens Smeets en zijn collega Faas Moonen, opleidingsdirecteur en hoofddocent bij de faculteit Bouwkunde. „Het begint bij de juiste bouwmethodiek”, zegt Moonen. „Je moet op een slimme manier bouwen zodat alles eenvoudig te demonteren is. Dus niet de constructie in beton gieten of er chemisch afval bij storten. Je moet ook sloopbedrijven hebben die geïnteresseerd zijn in recycling, en die zijn er bijna niet.”

Sloper Arie van Liempd uit het Brabantse Sint-Oedenrode is wel bezig met de productie van een houten recyclehuis. Het concept is ontleend aan de gepatenteerde ‘Trek-in’ die hij vorig jaar ontwikkelde met Moonen en TU-studenten: een strakke trekkershut die volledig gemaakt kan worden van sloopmaterialen. Van Liempd heeft er nu drie gemaakt en hoopt er dit jaar dertig à veertig te kunnen produceren. Op zijn terrein staat het nieuwste model, de Trek-in junior voor vier personen. Binnen is het licht en ruikt het naar hout. Alleen het kleurige keukenblokje en tafeltje lijken van sloophout.

„Het hout ziet er gloednieuw uit, maar alles is zestig jaar oud”, vertelt Van Liempd. „We zagen de latten in onze werkplaats uit grote zware draagbalken. Zo kunnen we de herkomst aantonen en heeft het hout toch een FSC-certificaat voor duurzaam bosbeheer gekregen.”

In principe kan alles gerecycled worden, als het maar in grote hoeveelheden beschikbaar is, zegt Van Liempd. „Ook het keramiek en porselein van toiletpotten en wasbakken kan een tweede leven krijgen, als de overheid het zou aansturen en meer slopers zouden meewerken.” Met name het hergebruik van toiletten riep discussie op bij de ontwikkeling van de Trek-in, zegt Moonen. „Terwijl ik altijd zeg: in hotels worden toiletten ook door duizenden mensen gebruikt en weer gereinigd. En dat is geen enkel punt voor de hotelgasten.”

In het Limburgse Kessel is het bedrijf Neptunus ook bezig met de ontwikkeling van een recyclehuis. Niet alleen van hout, maar ook van aluminium en kunststof. „De woning gaat enkele maanden tot twintig jaar mee”, vertelt Dorrie Eilers, directeur van het familiebedrijf. „Door de houten balken in de draagconstructie voldoet de woning ook aan het Bouwbesluit. Er is eigenlijk geen verschil meer met permanente bouw. Behalve dat het huis volledig demontabel is en alle materialen hergebruikt kunnen worden in een nieuwe constructie.”

Het concept heet Flexolution en wordt al gebruikt voor bijvoorbeeld kantoren en terminals. In Weert heeft Neptunus voor vijf jaar een Aldi neergezet. In aanloop naar de Olympische Spelen bouwde het bedrijf vijf sporthallen en een restaurant op trainingscentrum Papendal.

„Maar je kunt de techniek ook voor semi-permanente woningbouw gebruiken”, zegt Eilers. „De ruimten zijn hoogwaardig geïsoleerd en de uitstraling doet niet onder voor echte huizen of appartementen. Met name voor de groep starters kan het een oplossing zijn, denken we.”

„Recyclen is een must voor elk product dat we gaan maken”, zegt onderzoeker Smeets van de TU Eindhoven. „Of het nu een wasmachine is of een woning. De toekomst is aan urban mining: er zitten in de bebouwde omgeving zoveel materialen waar de volgende generatie nog wat aan heeft. Iedere woning wordt een recyclewoning.”