Geniet koel en rationeel

Het ‘amorele’ en ‘esthetische’ leven van Theo Kars staat in het tweede deel van zijn memoires in het teken van onder meer de misdaad. Hij verbijft ‘lauw’ in de gevangenis.

Schrijvers die over zichzelf schrijven zijn er bij de vleet. De autobiografische roman bloeit en welke schrijver put niet uit zijn eigen leven? Maar echte ‘memoires’ kom je in onze literatuur zelden tegen – dat is meer iets voor politici in ruste. Theo Kars heeft zich hier niets van aangetrokken, zoals hij zich van zoveel niets aantrekt. Inmiddels is het tweede deel van zijn Memoires van een slecht mens uitgekomen, dat de jaren 1965-1991 bestrijkt.

Een compleet levensverhaal bieden deze memoires niet. Kars probeert niet alles te vertellen wat er in zijn leven is gebeurd, hij laat aan de hand van een aantal cruciale episodes zien hoe hij de persoon is geworden die hij nu is. Meer dan van de vele autobiografische romans die Kars op zijn naam heeft staan, zijn deze memoires daarom de pendant van Praktisch verstand, het ‘klein handboek voor non-conformisten’ dat hij in 2003 publiceerde.

In Praktisch verstand vind je het resultaat van een heel leven, geconcentreerd in en verdeeld over talloze aforistische fragmenten. In zijn Memoires van een slecht mens vertelt Kars hoe dit resultaat, stukje bij beetje en met vallen en opstaan, uit dat leven is voortgekomen.

In het eerste deel hebben we gezien hoe hij zich ontworstelde aan de mentale en sociale beperkingen van zijn calvinistische familie en hoe hij voor zichzelf een eigen manier van leven moest uitvinden, lerend van de boeken die hij las en van de dingen die hij meemaakte. Dat zijn eigen ‘code’ vaak dwars tegen de gangbare moraal inging, werd al snel duidelijk. Goed en kwaad bleken relatieve begrippen en na de keuze voor een ‘amoreel’ en ‘esthetisch’ leven (met als enige doel: zoveel mogelijk te genieten) kwam de misdaad in beeld als een reële bron van inkomsten. Samen met enkele vrienden en ‘bedienden’ lichtte Kars tot twee keer toe de PTT op. Met het geld werd een aangenaam leven gefinancierd, maar ook het tijdschrift Tegenstroom, waarin zowat de hele eigentijdse Nederlandse literatuur (uitgezonderd Hermans en Reve) het moest ontgelden.

In deel 2 is het tijd voor een derde ‘affaire’, maar ditmaal gaat het mis en de non-conformist belandt achter de tralies. Uitvoerig beschrijft Kars voorarrest, rechtszaak en gevangenisjaren – een beproeving die hij ondanks momenten van wanhoop glansrijk doorstaat, dankzij veerkracht en aanpassingsvermogen (niet te verwarren met conformisme). Zodra hij begrepen heeft dat het leven van een gevangene amper verschilt van dat van een ‘kloosterling’ en dat je in een cel ook een roman kunt schrijven, verliest het gevangenisleven zijn verschrikkingen. Op ‘een lauwe wijze’ was ik er ‘volmaakt gelukkig’, schrijft Kars achteraf.

Wel maakt de gevangenis hem ‘cynischer en vooral achterdochtiger’. De wereld is een jungle, waarin de sterkste en de slimste aan het langste eind trekken. Verder regeert de hypocrisie, zoals in de politiek – die Kars niet interesseert. Afgezien van een paar vrienden en vriendinnen, ontbreekt de sociale dimensie in zijn leven, iets wat pas enigszins verandert nadat hij – tegen het eind van dit tweede deel – een nieuwe vriendin heeft gekregen. Zichzelf beschouwt hij als een ‘solitair roofdier’, dat op jacht gaat naar vooral zintuiglijke genietingen.

‘Kalme verrukking’

Zijn frequente ‘erotische avonturen’, buiten de vaste vriendinnen om, moeten die genietingen verschaffen. Maar ook de geest wil wat. In de gevangenis heeft hij, al schrijvend, geleerd de ‘cerebrale genoegens’ naar waarde te schatten. Op Ibiza, waar hij jaren na zijn detentie terecht komt en waar hem vanwege de overvloed aan zintuiglijke prikkelingen een ‘kalme verrukking’ ten deel valt, trekt hij zich van tijd tot tijd terug om te werken aan zijn romans, vertalingen en essays – opnieuw als een monnik in zijn cel.

Aan het eind van dit tweede deel leeft Kars de ene helft van het jaar op Ibiza, de andere helft in Amsterdam, waar hij, hoewel naar eigen zeggen de ‘paria van de literaire gemeenschap’, ook iets van de literaire wereld leert kennen. Met als resultaat een paar vermakelijke en goed gelijkende portretten van onder anderen Martin Ros en Johan Polak. Mooi is ook deze laconieke introductie van Gerrit Komrij: ‘een jonge homoseksuele dichter die als freelance redacteur van de Arbeiderspers in zijn levensonderhoud voorzag’.

Na Kars’ arrestatie is het grootste drama in dit tweede deel de geestelijke aftakeling van zijn vriendin Karin, met wie hij in een ‘menage à trois’ samenleeft. Altijd al ietwat neurotisch, valt zij ten prooi aan schizofrenie en wordt een gevaar voor zichzelf en haar omgeving. Interessant is het ethische probleem waarvoor Kars komt te staan: hoewel hij zich innerlijk steeds meer van Karin distantieert, kan hij haar toch niet laten vallen. Hij voelt zelfs ‘medelijden’ – een gevoel dat hem ‘verwart’ omdat het niet past in zijn persoonlijke code, volgens welke mensen alleen door eigenbelang worden gedreven. De verwarring verdwijnt pas als hij zich realiseert dat zijn persoonlijke vrijheid afhangt van ‘haar wel en wee’. Dus toch eigenbelang.

Uit passages als deze blijkt hoezeer Kars zijn eigen ethos serieus neemt. Elke moraal brengt haar verplichtingen met zich mee, ook als je haar zelf bedenkt. Zo neemt hij het zichzelf kwalijk dat hij om hulp heeft geroepen, toen hij een keer vreesde in zee te verdrinken. Hij heeft zichzelf ‘verloochend’, want ‘iemand die zoals ik naar zelfredzaamheid streeft, hoort niet om hulp te roepen’. Een andere keer vindt hij dat hij moet ‘boeten’, omdat hij een vriend ten onrechte van diefstal heeft verdacht – een kwestie van ‘persoonlijke geestelijke hygiëne’.

Er schuilt een wonderlijke paradox in deze memoires, die de paradox in Kars’ levenshouding exact weerspiegelt. Enerzijds is zijn leven een ‘avontuur’ in dienst van het zintuiglijke genot, anderzijds blijkt hij een streng analyserende rationalist, voor wie nuchterheid, pragmatisme en zelfbeheersing de grootste deugden zijn. Dankzij Graciáns Handorakel (later door Kars vertaald) verdwijnen zelfs de laatste resten ‘donquichotterie’. In de tekst is dat te merken; het rationalisme heeft er volledig de overhand gekregen. Want sensitief of sensueel wordt Kars’ proza nergens, ook niet als hij over zijn `erotische avonturen’ schrijft.

Schizofrenie

In zichzelf ontdekt hij een heel ander soort schizofrenie dan bij zijn arme vriendin. Tijdens de eerste gevangenisweken lijkt hij zelfs uit ‘drie personen’ te bestaan: ‘Eén was geheel ontdaan, de tweede deed automatisch wat de situatie van mij vereiste, en de derde verwonderde zich zowel over de paniek van de eerste als de kalmte van de tweede’. De derde persoon, die onder alle omstandigheden het hoofd koel houdt en lessen trekt uit wat hij allemaal waarneemt, heeft deze memoires geschreven.

Vandaar de droge, zakelijke, ja vormelijke stijl, die afstand en overzicht suggereert. Kars heeft zich zeer verdienstelijk gemaakt met zijn vertaling van Casanova’s Histoire de ma vie – zijn eigen memoires lijken, wat toon en aanpak betreft, eveneens uit de 18de eeuw te komen, de tijd van vóór de Romantiek, van vóór de verplichte emoties en gemoedsuitstortingen. Sommige materialistische filosofen vergeleken de mens toen met een ‘machine’, niet wezenlijk verschillend van een dier. In hun trant heeft Kars het over zichzelf als een ‘organisme’, komt hij met een ‘biologische’ verklaring of schrijft hij een zin als de volgende: ‘Het was alsof het deeltje van mijn hersenen was afgestorven dat zich emotioneel met haar seksuele trouw bezighield’. Het maakt deze Memoires van een slecht mens ook in formele zin, nog afgezien van de afwijkende moraal die ze bevatten, tot een geval apart. En dus de moeite waard. Iemand als de schrijver van dit boek kom je niet elke dag tegen.

In het nawoord wordt overigens nog een derde deel beloofd. Dat moet alleen wel postuum verschijnen, omdat Kars daarin een nieuwe lucratieve misdaad zal onthullen en hij eventuele vervolging wil voorkomen, maar ook omdat hij tot aan zijn dood (door zelfmoord uiteraard) ‘actief’ wil leven. En dat betekent bij Theo Kars ook: tot aan de ‘laatste ademtocht’, desnoods met behulp van een dictafoon, zijn eigen leven beschrijven.