De enige valse noot ben ik

DEN HAAG - Op begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag zijn donderdag ongeveer 150 vrienden en familieleden bijeengekomen om afscheid te nemen van schrijver J.J. Voskuil (81). Op de foto schrijfster Frida Vogels. ANP PHOTO ROB KEERIS Foto: Rob Keeris

Op 23 augustus 1976 maakte Frida Vogels met Enzo, haar Italiaanse man, een avondwandelingetje door Bologna. In haar dagboek gaf ze daarvan een korte, laconieke impressie. ‘Voor ons liepen de groenteboer en zijn vrouw. Allebei heel dik; hij een glunder varken, zij een bedaagde hoer met o-benen. „Een heel raar paar”, zei E. grinnikend, „nog raarder dan wij”.’ Het is een komische, maar toch ook lichtjes schrijnende passage.

In het tiende deel van haar dagboekreeks, Dagboek 1974-1976, vind je veel van dit soort dubbelzinnige observaties. Vogels geeft haar ogen en oren voortdurend de kost. Ze noteert wat haar opvalt of aangrijpt en betrekt dat vaak in één moeite door op zichzelf of haar huwelijk. Ze is zich er, nog veel meer dan Enzo, van bewust ‘raar’ te zijn.

Het is een steeds terugkerend thema: het besef dat ze niet in de pas loopt en nooit helemaal aan de verwachtingen voldoet. Steeds opnieuw laat ze steken vallen, als echtgenote, als vriendin, als zus, als buitenlandse in Italië en niet in de laatste plaats als schoondochter. Als ze in de zomer van 1975 met Enzo en haar broer Michiel naar Castellina vertrekt, om er te gaan logeren bij de schoonfamilie, noteert ze dat ze ‘buitengewoon aardig’ ontvangen zijn. Om daar meteen op te laten volgen: ‘De enige valse noot ben ik.’

Keer op keer stelt ze vast dat het haar niet lukt om zich te voegen naar anderen, hoe ze haar best ook doet. Of het nu gaat om een zieke poes die ze laat inslapen (‘vermoorden’ of ‘afmaken’, zoals ze het zelf noemt), of om haar schoonmoeder die ze een paar dagen helpt verzorgen na een oogoperatie – de conclusie is steeds snel getrokken: ‘Het is niet goed gegaan, ik heb het niet aangekund.’

Je zou het een tragisch besef kunnen noemen – als er niet ook steeds in de zelfkritiek een tegengeluid zou meeklinken. Ze kan zich niet goed aanpassen, maar ze wíl het in zekere zin ook niet. Haar angst om nergens meer bij te horen is nog altijd kleiner dan haar angst om zichzelf te verliezen, om niemand meer te zijn, ‘een nul’, zoals ze het zelf noemt.

Miskleunen

Schrijven is voor haar de enige manier om zich te handhaven. Meer nog dan de eerdere delen staat dit Dagboek in het teken van een opbloeiend schrijverschap. Door haar miskleunen te vereeuwigen, krijgt ze er greep op, en dan pas kan ze zich, bij vlagen, ‘een mens’ voelen, ‘hoe schriel en schamel ook’, en geen ‘fladderend spook’.

Zo kan ze ook in het reine komen met de ‘ballingschap’ waarin ze naar eigen zeggen door haar huwelijk met een Italiaan is beland. Haar huwelijk heeft haar dus in een isolement gebracht, maar ook weer niet helemaal. Want zoals eigenlijk alles, ligt ook dit bij Vogels heel genuanceerd. Ze kan haar leven alleen aanvaarden als ze er ‘litteratuur’ van maakt, maar het is juist Enzo die haar met de neus op de dagelijkse werkelijkheid drukt en haar verlost uit de beklemming van die literatuur. ‘Zonder E. zou ik levenslang in een kringetje hebben rondgedraaid en zelf ook een verzinsel zijn geworden.’

Het wonderbaarlijke van dit Dagboek is dan ook dat het geen rondzingend geheel is dat alleen naar zichzelf of zijn maakster verwijst. Er is tussen de dagelijkse beslommeringen door regelmatig sprake van politieke verwikkelingen, van aardbevingen, van een bloedbad in Entebbe of van Krim-Tataren die terug willen naar hun eigen land.

Vogels wil hier steeds opnieuw de balans opmaken. Heeft ze iets goeds gedaan voor een familielid, een straatkat of een vriendin? Of heeft ze, als dat niet zo is, de zoveelste nederlaag of tekortkoming in de juiste woorden weten te vatten? Deze jaren staan ook in het teken van het schrijven van haar eerste echte boek, deel 1 van De harde kern, dat moeizaam maar gestaag vordert. Op 8 december 1976 weet ze zeker dat het boek ooit af zal komen, ‘niet zo vol en stromend als ik het wel zou willen, maar met kracht genoeg om mijzelf en anderen van mijn bestaan te overtuigen.’

Levensschema

Het zou nog zestien jaar duren, tot 1992, voordat het boek er ook werkelijk zou zijn. Maar toen was iedereen ook wel in één klap overtuigd van het bestaan van Frida Vogels, ook al liet ze zich buiten het boek om nooit zien. En nu, nog weer twintig jaar en tien dagboekdelen later, zijn we behoorlijk ingevoerd in het strakke levensschema van Vogels en haar levendige aantekeningen daarover.

Ook in dit tiende deel vind je op elke bladzijde mooie uitspraken, of ze nu gewijd zijn aan een overleden vriendin, het plukken van vijgen uit een ziekenhuistuin, of de bij nader inzien onbegrijpelijke aankoop van een kist met zes kilo groene peren. Niets spreekt hier ooit vanzelf. En alles wordt in twijfel getrokken, al weet ze lang niet altijd precies waar haar verzet op stoelt: ‘Wat ik kan, is stokstijf en halsstarrig nee zeggen tegen alles wat niet deugt.’ Haar formuleringen zijn zo bijzonder omdat ze altijd tegen de keer in gaan. Dwars en hoekig. Altijd net een beetje raar.