Cowboys

‘Ga toch beleggen”, zeiden ze. „Teken gewoon, hier, één krabbeltje maar. En dan lekker blijven zitten waar je zit, de beurs zijn werk laten doen en binnen nu en een paar jaar klotsen de euro’s over de randen van je geldpakhuis.”

Dat beeld schetsten ze, de bankiers met wie ik destijds praatte over mijn hypotheek. We schrijven begin jaren ’0. Huizen gingen als warme broodjes, makelaars waren jofele jongens die op hun scooter lachend van de ene melkkoe naar de andere gouden berg tuften en bankiers heetten nog betrouwbaar.

„Cowboys”, noemde mijn vader ze. „Cowboys zijn het. Het kan nooit, wat ze je voorspiegelen.” Ik was begin dertig, begon een klein beetje geld te verdienen en vond het allemaal prachtig. „Met dit salaris kun je zo twee miljoen hypotheek krijgen”, zeiden de snelle jongens met het leuke monumentale pandje. Aardige jongens waren het, ik kwam ze wel eens tegen op feestjes waar ze mooi konden vertellen over hun derde wintersportvakantie van dat jaar. „Gewoon even lekker alleen maar snowboarden, weet je wel, kinderen in het skiklasje, heerlijk!”

De mannen van de ouderwetse bakstenen bank bij wie ik als kind mijn allereerste spaarpotjes al had gebracht trokken hun wenkbrauwen op bij het aanbod van twee miljoen en hielden het op een heel stuk minder dan de helft. En ik, braaf meisje als ik was, ik bleef bij hen. Daar zat ook, zoals mijn hypotheekadviseur het met een zuinig mondje uitlegde, „een stukje beleggingshypotheek in”, maar de rest van de lening was even avontuurlijk als een avondje gourmetten met Bas van der Vlies. Gewoon lekker sparen, niks aan de hand.

Inmiddels zijn we een paar jaar (en ik een stuk of wat hypotheken) verder. Voor mijn huidige hypotheek heb ik beduidend meer moeite moeten doen dan voor die rock ’n roll-leningen uit de jaren ’90 en ’0. Toentertijd kon ik om te bewijzen dat ik werk had gewoon zwaaien met een speellijst – „Kijk, in deze theaters komen we allemaal dit seizoen”– maar tegenwoordig moet ik drie jaarrekeningen, een handgeschreven verklaring van mijn oude handwerkjuf en een gedragen onderbroek meenemen als bewijs van betrouwbaarheid.

Over beleggen heeft al helemaal niemand het meer. De cowboys van de coole bank van toen kom ik nog wel eens tegen op een feestje. „Niet naar de skivakantie vragen”, fluisterde een wederzijdse kennis me in mijn oor. „Is een pijnpuntje.”

Sparen of beleggen – dat ik überhaupt ooit de luxe had om me af te vragen welke van de twee het beste voor me zou zijn kan ik me bijna niet meer voorstellen. „Stenen”, zei mijn vader, „alles in stenen stoppen. Die houden hun waarde.” Dat heb ik gedaan, zoals gezegd, braaf meisje als ik ben. Maar zelfs die stenen raak je tegenwoordig aan de straatstenen niet meer kwijt. Maar toch, ik kan ze zien, ik kan ze aanraken, ze verdampen niet voor mijn neus dankzij één of andere testosterongestuurde cowboy en ooit, lang na mijn dood, zullen mijn kindskinderen er misschien nog eens winst op kunnen maken. En daar kunnen zij dan stoer van gaan snowboarden. Of lekker veilig van gourmetten.