Confucius mag niet meedoen

De recente uitdagingen van westerse democratische idealen door financiële crises en heroplevend populisme, en de kritiek op liberale waarden door Russische presidenten, religieuze fundamentalisten en Chinese partijbesturen, maken duidelijk dat de hedendaagse geglobaliseerde wereld dringend behoefte heeft aan goede, onderbouwde politieke ideeën. Daarin probeert het vuistdikke On Politics van de Britse politicoloog Alan Ryan te voorzien.

Ryan, specialist in Thomas Hobbes en John Stuart Mill, zegt veel te danken te hebben aan ideeënhistoricus Isaiah Berlin. Diens invloed schemert door zijn boek heen, vooral in het beroemd geworden onderscheid tussen positieve en negatieve vrijheid. Ryan suggereert dat de verschuiving van positieve vrijheid – als vrijheid om jezelf publiekelijk te uiten en ontplooien – naar negatieve vrijheid – als vooral een private vrijheid van inmenging van buitenaf – ook de voornaamste breuk tussen de voormoderne en de moderne wereld kenmerkt. Een andere bron van inspiratie is Bertrand Russell, beroemd geworden door zijn even meeslepende als partijdige History of Western Philosophy.

In navolging van die beide filosofen doet Ryan zijn best om soms ingewikkelde en abstracte denkers op een leesbare manier te presenteren zonder hun ideeën al te eenvoudig voor te stellen. En meestal slaagt hij daarin wonderwel.

Ryan begint niet, zoals gebruikelijk, bij Plato, maar bij Herodotus. In diens beschrijving van de confrontatie tussen de oude Grieken en het Perzische rijk schuilt volgens hem voor het eerst het idee van ‘echte’ politiek als publieke besluitvorming tussen verschillende, conflicterende maar legitieme belangen. Plato omschrijft hij als een anti-politiek denker: de ideale staat die hij in de Politeia schetst, is volgens Ryan niet ingericht om conflicten vreedzaam op te lossen, maar om ze volledig uit te bannen.

Perzische rijk

In Ryans kenschets van ‘echte’ politiek in termen van conflicterende belangen weerklinkt onmiskenbaar Isaiah Berlins visie op de onherleidbare, en tragische, pluraliteit van waarden. Er was geen politiek in het antieke Perzische rijk, schrijft Ryan, omdat de Perzische koning een meester van slaven was en geen heerser over burgers. Die mening schrijft hij toe aan de oude Grieken, maar hij lijkt hem zelf ook een beetje te delen. Ze klopt natuurlijk evenmin als de mening dat de oude Grieken geen ‘echte’ religie hadden omdat ze niet elke zondag naar de kerk gingen. Wil je de lange geschiedenis van het politieke denken recht doen, dan kun je de hedendaagse visie daarop beter niet klakkeloos als uitgangspunt nemen. Eeuwenlang gold het democratische Athene juist als een schoolvoorbeeld van hoe het niet moet: volgens de meeste filosofen krijg je immers rampen als je de onopgeleide massa’s te veel macht geeft.

Pas in de 18de eeuw ontstond, tegelijkertijd met de politiek-filosofische opwaardering van het gewone volk, het idee van volkssoevereiniteit waarop de hedendaagse politiek is gebaseerd. Sindsdien noemt elke staat zichzelf een democratie.

Terecht benadrukt Ryan dat de hedendaagse democratie iets heel anders is dan wat de oude Atheners onder dat woord verstonden. Bovendien is ook voor hedendaagse staten ‘democratie’ een vage of zelfs ronduit misleidende term. Zelfs moderne dictaturen als Gaddafi’s Libië en Noord-Korea omschrijven zichzelf als ‘democratie’ of ‘volksrepubliek’.

Ook moderne westerse democratieën, schrijft Ryan, kennen misschien minder eenduidig de heerschappij van het volk dan het bestuur van een grotere of kleinere elite. De overgrote meerderheid van de bevolking speelt immers geen actieve rol in de besluitvorming en geniet dus geen positieve vrijheid, maar koestert zijn negatieve vrijheid en geborgenheid.

Ryan verbindt daaraan de suggestieve vraag of de moderne staat, waarin negatieve vrijheid en veiligheid centraal staan, wellicht niet neerkomt op een heimelijke triomf van de Perzen over de Grieken. De Perzen hadden geen vrijheid, maar wel een succesvolle en duurzame staat, die zijn inwoners een relatieve stabiliteit en veiligheid bood.

Dat is een prikkelende suggestie, en Ryans boek bevat er meer van. Maar geeft zijn historisch overzicht je ook een betere kijk op de politiek in de hedendaagse wereld? Helaas niet. Om te beginnen is On Politics, ondanks zijn omvang in de verste verte niet compleet. Vanwege Ryans voorkeur voor Britse en Amerikaanse filosofen komen continentale denkers er bekaaid vanaf. Kant krijgt maar weinig aandacht, en Spinoza ontbreekt zelfs geheel.

Hedendaags China

Nu zijn keuzes altijd onvermijdelijk, maar Ryan negeert glashard het grootste deel van de hedendaagse wereld. Over hedendaags China lezen we slechts dat het een illustratie is van Plato’s bewering dat staten feitelijk het best functioneren als ze berusten op een strikt onderscheid tussen een machteloze klasse van werkers en een hoger opgeleide klasse van heersers. En dat is ‘een sociologische bewering die geen filosofische onderbouwing nodig heeft’.

Daarmee maakt hij niet alleen onderscheid tussen feitelijke, empirische sociologie en normatieve filosofie, waar Plato niets van zou snappen, maar gaat hij ook voorbij aan het feit dat de heersers van postcommunistisch China zichzelf niet rechtvaardigen met een beroep op Plato, maar met behulp van Confucius. En aan die laatste wijdt Ryan geen woord. Niet alleen zijn de politieke doctrines van Confucius en zijn volgelingen op zichzelf van belang; ook wordt er in hedendaags China opnieuw gebruik van gemaakt na decennia van verguizing door nationalisten en communisten. Het is dan ook merkwaardig dat we in Ryans omvangrijke boek niets leren over de manier waarop een kwart van de wereldbevolking werd en wordt geregeerd. Politieke theorie wordt zo, ondanks universele pretenties, preken voor eigen liberale parochie.

Zelfs voor de westerse wereld is Ryans overzicht onvolledig en achterhaald. Hij wijdt vrijwel geen woord aan het hedendaagse communitarisme, dat de individualistische aannames van het liberalisme bekritiseert, of aan de neoliberale omvorming – of uitholling – van liberale politieke principes die we de afgelopen decennia hebben meegemaakt.

Nu zou ik niet meteen de opname van de neoliberale goeroe Ayn Rand, laat staan van Ronald Reagan of Margaret Thatcher, in de canon van grote politieke denkers willen bepleiten, maar hun historische rol is enorm geweest. Ook worden in het laatste hoofdstuk snel hedendaagse thema’s als nationalisme, religieus fundamentalisme en globalisering afgeraffeld. En dat gebeurt vooral aan de hand van de vraag of ze kunnen leiden tot een nieuwe wereldoorlog. Het is vooral die insteek van de Koude Oorlog die je de indruk geeft dat On Politics net zo goed vijftig jaar geleden geschreven had kunnen zijn.