‘Boef’met scherp politiek inzicht

President Eisenhower zag men als een goeiige vader des vaderlands. Zijn ‘running mate’ Nixon werd neergezet als een stumper, en later als een monster. Ten onrechte, zo blijkt.

Politici worden er vaak van beschuldigd niet zichzelf te zijn, maar van teflon of een andersoortige kunststof. Wij krijgen, zo denken we, iemand anders te zien dan intimi bij de barbecue tegenkomen. Hoe oprechter en authentieker we vermoeden dat de politicus is, des te meer we geneigd zijn tot een mild en zelfs enthousiast oordeel. Maar hoe betrouwbaar is onze blik? De geschiedenis wordt bevolkt door politieke figuren die begunstigd of gestraft zijn met een imago dat met feiten weinig van doen heeft.

Toen Richard Nixon in 1962 na een verloren presidentscampagne ook naast het gouverneurschap van Californië greep, liet hij zich akelig in zijn ziel kijken. Jullie zullen me missen, hield hij de verzamelde pers voor, ‘you won’t have Richard Nixon to kick around anymore.’

Nixon, dit jaar exact 100 jaar geleden geboren, was een man met grote talenten en dito gebreken, waaronder de steeds achterdochtiger aard die in 1974 zijn definitieve ondergang werd. Maar in 1962 had hij een punt: de mate waarin Richard Milhous Nixon ongefundeerde haat opriep, stond in schril contrast met de al even irreële liefde die zijn vroegere baas Dwight Eisenhower ten deel was gevallen.

Het is een gouden greep van Jeffrey Frank om in Ike and Dick de complexe relatie tussen de generaal die president werd en diens jonge vice-president centraal te stellen. Vanaf het moment dat ‘Ike’ Nixon als running mate koos waren de levens van beide mannen met elkaar vervlochten. Eerst door politiek, en later ook door het huwelijk tussen Nixons dochter Julie en Eisenhowers kleinzoon David. Het was een vaak ongemakkelijke dans van twee onvergelijkbare grootheden, die getekend werden door het licht dat ze op elkaar wierpen.

In 1952 was Nixon een politiek talent dat naam had gemaakt als de communistenvreter die spion Alger Hiss had ontmaskerd. Hij was van eenvoudige komaf, en had – dankzij werklust, politieke intelligentie en de bereidheid in campagnes vuile handen te maken – zich een plek verworven die van nature toebehoorde aan mannen met diepe zakken. Mannen zoals generaal Eisenhower. Ike had nauwelijks politieke ervaring, maar was als voormalig geallieerd bevelhebber zo’n icoon dat het bekendmaken van zijn kandidatuur genoeg zou zijn om president te worden.

Eisenhower had aarzelend – zeg gerust: tegen heug en meug – voor Nixon gekozen en probeerde hem al voor de verkiezingen te wippen. De stok om de hond mee te slaan werd een fonds van 18.000 dollar, opgericht door supporters van Nixon, waaruit campagnekosten werden betaald – een nogal onschuldige kwestie die hopeloos werd opgeblazen.

Huurmoord

Frank laat zien hoe de druk op Nixon werd opgevoerd om het veld te ruimen, waarbij de slappe Eisenhower voortdurend derden inzette om de politieke huurmoord te plegen. Zelf leek Eisenhower een beslissing onophoudelijk voor zich uit te schuiven, wat Nixon tot de memorabele woorden verleidde: ‘There comes a time when you either got to shit or get off the pot.’ Met een openhartige, soms larmoyante televisiespeech, die vooral klassiek werd dankzij de verwijzing naar het hondje Checkers, wist Nixon zich het vege lijf te redden.

De episode zou een litteken achterlaten dat nooit zou helen – feitelijk werd daar al het eerste zaad van Watergate geplant. Nixon stond alleen, en moest het doen met Nixon. Tegelijk had hij bewezen een overlever te zijn, waar Eisenhower politiek naïef en onbetrouwbaar was gebleken. Iedereen zag in Ike de goeiige vader des vaderlands, maar Nixon wist beter.

Eisenhower was ‘een veel complexere en kwaadaardigere man dan mensen beseften’. Het is een oordeel dat door menig episode in Ike and Dick gestaafd wordt.

Het gaat ver om Nixon de held van dit boek te noemen, maar het is duidelijk dat hij niet het monster was waarvoor vele tegenstanders, en zelfs medestanders, hem hielden. Door zijn sociale ongemak kwam hij stijf, kil en onbetrouwbaar over, en zijn verschijningsvorm hielp ook niet: altijd een beetje gebogen, de verre van symmetrische boeventronie, een lach die zo snel opkwam en verdween dat hij van afstand bestuurd leek.

Alles wat Nixon deed, moest wel gecalculeerd zijn, met als enig doel: het bevorderen van de politieke carrière van Nixon. Soms was dat verwijt terecht, vaak ook niet. Nixon stak zijn nek uit voor burgerrechten, toen Eisenhower nog meende dat wie segregatie voorstond geen slecht mens was, ‘maar gewoon bang dat kleine meisjes op school naast uit de kluiten gewassen negers moesten zitten.’

Anthony Hopkins

Nixon was nooit te beroerd mensen te helpen, leefde beduidend eenvoudiger dan collegae, had scherp inzicht in geopolitiek en was in veel opzichten liberaal – bijvoorbeeld waar het inkomenspolitiek of sociale zekerheid betrof. Toen Eisenhower door een hartaanval en een beroerte parttime president werd – wat hij dankzij zijn golfverslaving eigenlijk al was – speelde Nixon een belangrijke rol bij het op koers houden van de regering. Je zou, zoals Anthony Hopkins in zijn filmvertolking van Nixon doet, om minder vertwijfeld uitroepen: ‘Why do they hate me so much?’

Het is onvermijdelijk dat Nixon een veel sterkere aanwezigheid in dit boek is dan Eisenhower. Nixon is een verháál, Eisenhower is dat niet. We zien Nixons achterdocht groeien, steeds vaker onterecht. Maar we zien hem, eindelijk zelf president, ook sociaal progressief beleid voeren, China openbreken, en de relatie met Rusland ontdooien.

Nixon hield het gematigde geluid binnen de Republikeinse Partij in leven en voorkwam het primaat van de fanatici waarmee Amerika nu zit opgescheept. Politiek inhoudelijk stond Nixon dichter bij Obama dan bij hedendaagse Republikeinen. Toen Nixon in 1974 gedwongen afscheid nam, hield hij zijn staf voor: ‘Always remember, others may hate you, but they won’t win unless you hate them, and then you destroy yourself.’ Dat is, bedoeld of onbedoeld, een tragisch en treffend zelfportret. Het onderstreept bovendien dat Nixon altijd begrepen moet worden in de context van anderen, of dat nu vroegere vriend en latere rivaal John F. Kennedy is, getuige Christopher Matthews fijne studie Kennedy & Nixon (1996), of de getroebleerde vader-zoon relatie met Dwight Eisenhower.