Wie is die miljonair op dat luxe jacht?

Een scheepsbouwer kopen? Hier? Geen brood mee te verdienen. Dat is toch opgedoekt, failliet, gesloten , verkrot? Alleen nog luxejachten, zoals die voor wijlen Steve Jobs.

In de loop van 2004 moest de beursgenoteerde olie- en gasdienstverlener SBM Offshore leuren met zijn scheepsbouwdivisie tot de tong de directie op de schoenen hing. SBM wilde ervan af. Tegen elke prijs. Letterlijk. De twee activiteiten van SBM, namelijk scheepsbouw en olie- en gasdienstverlening botsen, schreef de directie in jaarverslag over 2004. Die scheepsbouw had lage winstmarges én hoge risico’s. De financiële wereld begreep de combinatie steeds minder goed. De grote SBM-beleggers wilden er ook graag vanaf. Bovendien was de waarde van de scheepsbouw maar een fractie van de totale concernwaarde, terwijl er wel veel (2.000) mensen werkten.

Kortom: SBM volgde de laatste zaken- en adviesmode en deed de ouwe spullen de deur uit. Vooruitlopend op de verkoop van de scheepsbouwdochters, die verder gingen onder hun oude namen IHC en IHC Merwede, nam SBM zijn verlies. Eerst schreef het concern de waarde van die dochterbedrijven bijna helemaal tot nul af. Dat kostte een kleine 70 miljoen euro. Toen kwam de daadwerkelijke verkoop. SBM kreeg er nog 7,8 miljoen euro voor. Maar na aftrek van nog wat kosten was de „netto opbrengst zo goed als nul”, moest SBM tegenover zijn aandeelhouders toegeven.

SBM leerde de harde les van breaking up is hard to do. Ondernemingen kópen is geen kunst. Je biedt meer dan de rest en je hebt ’t. Ondernemingen vérkopen én de hoofdprijs verdienen – da’s geen kunst: dat is kunde. Een kunde die schaars is, schreven drie adviseurs van adviesfirma McKinsey een paar maanden geleden in een artikel over de kunst van het afstoten.

Maar het wordt nog pijnlijker voor SBM en profijtelijker voor het trio nieuwe aandeelhouders van IHC: een investeringsfonds van de Rabobank, een stichting van directie en personeel en Parkland, een investeringsmaatschappij van de Rotterdamse financier Cees de Bruin. Zij betaalden bijna 8 miljoen voor IHC, dat op dat moment een bedrijfswaarde had van 78 miljoen euro. Het gunstige verschil tussen de aankoopprijs en de bedrijfswaarde konden zij, conform de gebruikelijke boekhoudregels, direct als reserve aanmerken. Ja, snel verdiend. Het wordt mooier.

In het eerste jaar, 2005, maakte IHC onder de nieuwe eigenaren meer dan 9 miljoen winst. De aankoopprijs was meteen terugverdiend. Het wordt mooier.

IHC en dochters pakten opdracht na opdracht. IHC bouwt als specialist voor sectoren als de baggerindustrie, offshore en mijnbouw. De eigenaren hielden de behaalde winsten deels in het bedrijf. Als buffer en als financiering voor groei. Het eigen vermogen steeg van minder dan 80 miljoen naar 350 miljoen euro.

Het wordt nog mooier. Sinds de overname gaf IHC zijn aandeelhouders een totaaldividend van 216 miljoen euro. Nu wil financier De Bruin IHC helemaal kopen.

Het succesverhaal van IHC bewijst: niks vergane Hollands Glorie. Deze maakindustrie met ruim 3.200 voltijdbanen in Sliedrecht en daarbuiten is ook een jaloersmakende bron van winst. Daar kun je wel een paar luxe jachten van laten bouwen.

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.