'Van vrede krijg ik mijn leven niet terug'

Komende zondag worden de onderhandelingen over vrede tussen de regering van Colombia en de FARC hervat. Maar de miljoenen Colombiaanse vluchtelingen in eigen land wanhopen slechts.

Bogota, September 2007 - Over the past ten years in the southern part of the city, known as Ciudad Bolivar, thousand of families found a safe place to live in. They had to leave their homes because of the violent war between paramilitary groups and the army. The capital's south outskirts became the place hosting the biggest number of desplazados, Columbian refugees. Aerial view >< Bogotˆ, settembre 2007 - Nella zona sud della cittˆ, conosciuta come Ciudad Bolivar, negli ultimi 10 anni migliaia di famiglie hanno trovato un luogo sicuro nel quale vivere dopo aver abbandonato le proprie case a causa del violento conflitto tra gruppi paramilitari ed esercito. La periferia sud della capitale  diventata il luogo con il maggior numero di famiglie di desplazados, i profughi colombiani. Veduta aerea * Onderdeel van de serie 'Desplazados' (40) * Fabio Cuttica /Contrasto/Holla>

Marcela, een 61-jarige overgrootmoeder met enorme groeven in haar gezicht, had laatst haar kleren buiten te drogen gehangen toen ze ineens gestolen waren. Ze snapt niets van Bogotá. „In mijn dorp hadden we niet eens een slot op de deur.”

Marcela is één van de miljoenen Colombianen die gevlucht is in eigen land door het interne conflict. Guerrilla’s, leger en paramilitairen bevechten elkaar in een strijd die oorspronkelijk ideologisch is, maar gevoed wordt door economische motieven als controle over de drugshandel. Mensen als Marcela komen vaak van het platteland. Ze verbouwden koffie of bananen, waren visser, hadden wat vee of kippen. Contact met de stedelijke samenleving was er niet. Om iets simpels te noemen: een stoplicht hadden ze nog nooit gezien.

Nu zijn ze één van de negen miljoen inwoners van de metropool Bogotá, episch centrum van de snelle economische groei en de opkomende middenklasse van Colombia. De interne ontheemden, zoals de vluchtelingen die geen landsgrens oversteken officieel heten, wonen aan de arme zuidrand van de stad, in niet-geregistreerde, piepkleine, zelfgebouwde huisjes van hout, baksteen, golfplaat en zeildoek, opgetrokken op de bergen rond Bogotá, met vloeren van aangestampte aarde op de koude, vochtige Andesgrond.

Hun type wijken bestaat overal ter wereld, waar arme boeren naar de stad trekken. Maar in Colombia versterkt het geweld dit proces. Gewapende groepen, die controle over grond, grondstoffen en drugsroutes bevechten, eisen volledige medewerking van het volk, wat onmogelijk wordt in de frontlinies tussen twee groepen.

„Op een dag zeiden paramilitairen dat ze mijn man vermoord hadden”, zegt Nadia. „Hij was veerman, en had strijders van de guerrilla overgezet, terwijl ze hem dat verboden hadden. Ik zei: wat kon hij doen? Anders vermoordt de guerrilla hem. We kregen tot middernacht om weg te komen, anders zouden ze ons ook vermoorden.”

Nadia is een bleke vrouw die woont in een zelfgebouwd hutje van palen en groen landbouwzeil. Om haar heen kakelen kippen.

Haar kinderen spelen met die van buurvrouw Giovana, die juist voor de FARC moest vluchten. „Op een nacht zeiden ze dat mijn huis op een strategische plek stond, en dat ze het kwamen opeisen.” Giovana vertelt hoe ze urenlang op blote voeten door het donker liepen. „Toen kwam de bus naar Bogotá langs. De chauffeur kreeg medelijden en nam ons mee. Mijn kinderen hebben het geregeld. Ik kon alleen maar huilen.”

Hals over kop gevlucht

In Bogotá herken je de ontheemden meteen. Ze kijken verdwaasd om zich heen op een kruispunt, of bedelen op een straathoek. Alles verraadt dat ze hals over kop gevlucht zijn, geen idee waar ze beland zijn, of wat te doen. Cecilia vertelt hoe ze wekenlang in een park sliep. In haar dorp was ze verkracht door een paramilitair, van wie ze zwanger werd, en die haar tot een abortus dwong.

Om die te ontlopen, vluchtte ze met haar vriendje op een ezel naar Bogotá. „Een oude vrouw zei, dat ons soort mensen meestal naar de bergen in het zuiden ging. Daar konden we een huisje bouwen, en was het leven goedkoop.” In het stadsdeel Ciudad Bolívar, met bijna een miljoen inwoners en op 3.000 meter hoogte, liggen wijken die vrijwel alleen uit ontheemden bestaan, zoals El Paraíso.

Daar woont Aníbal, een ontwapende FARC-strijder die gezocht wordt door paramilitairen. Hij plukt aan het gras op de bergen, met voor zich een prachtig uitzicht op Bogotá. Paramilitairen werken samen met lokale bendes, vertelt hij, voor drugs- en wapenhandel, maar ook voor spionage: één van de beter betaalde banen in de wijk. Een moord in El Paraiso kost twintigduizend pesos, ofwel acht euro.

Vorige week was Aníbal ineens verdwenen. Gewapende mannen hadden bij de buren gevraagd of ze hem kenden, vertelt hij over de telefoon, en de buren hadden gelogen van niet. Dat gaf Aníbal de kans opnieuw te vluchten.

Met de vlucht worden de meeste ontheemden deel van de moderne samenleving, waar ze tot nu toe buiten stonden. „Alles kost hier geld”, zegt Marcela. „Thuis haalde ik de bananen van de boom en de vis uit de rivier. Hier betaal je zelfs voor water.”

Recht op hulp

Officieel hebben de ontheemden recht op hulp van de staat. Maar de procedure is veeleisend, bureaucratisch en vertraagt maanden of zelfs jaren, zodat de meeste ontheemden, ongeletterd en onbekend met papierwerk, de weg erin kwijtraken en nooit de hulp krijgen die de staat zegt te bieden. Volgens onderzoekers verdwijnt een groot deel van het geld bovendien in de zakken van de functionarissen. En veel ontheemden zijn bang om aangifte te doen, omdat ze de overheid niet vertrouwen, waardoor ze zonder hulp hun weg zoeken. Bij gebrek aan werk, eindigen ze regelmatig in de criminaliteit of prostitutie.

Wat hebben de ontheemden aan een vrede met de FARC? Sofia haalt haar schouders op en staart voor zich uit. „Ik hoop dat mijn man vandaag wel werk heeft gevonden, als dagloner. Anders hebben we vandaag weer niets te eten.”

Ook Diosa kan weinig met de vraag. Haar man is vorige maand doodgeschoten tijdens een ‘sociale schoonmaak’, een eufemisme voor moorden op zwervers en verslaafden door gewapende groepen in haar wijk, toen hij het straatvuil doorzocht. Diosa doet nog dagelijks hetzelfde. En heeft een operatie nodig van 7 miljoen pesos (3.000 euro), die vergoed zou worden, als ze als ontheemde geregistreerd stond. Maar omdat ze bij haar vlucht haar ID niet meegenomen heeft, is dat onmogelijk.

„Van een vrede met de FARC krijg ik mijn leven niet terug”, zegt overgrootmoeder Marcela. „Het lekt hier, de kinderen worden ziek. Ik had het liefst dat ze ons een fatsoenlijk huisje gaven, meneer.”