Meeste kindarbeiders werken niet in fabrieken

Het Westerse beeld dat kinderarbeid vooral in fabrieken en sweatshops plaatsvindt, klopt niet. De meeste kinderen werken op het land en in het huis.

A young girl carrying water on her back walks, 04 May 2005 in the shanty town of Kibera, the largest shanty town in Africa on the outskirts of Nairobi. A bus sponsored Global development charity, ActionAid, which has been travelling and collecting views from Johannesburg to Nairobi, is due to visit Kibera to gather more views on how to eradicate poverty and fight AIDS in Africa. The van is part of an effort to collect data about misery -- poverty and AIDS -- in Africa to be delivered to the G8 meeting in Scotland in July. The meeting among other issues will mull ways of improving the continent's reputation as an AIDS and poverty basket case. AFP

Ze zijn met zo’n 215 miljoen, de jongens en meisjes in de wereld die, ofschoon nog minderjarig, toch al aan het werk zijn. De meesten leven in Afrika en Azië. Kinderarbeid roept, zeker in het Westen, sterke gevoelens van weerzin op. Het heersende beeld is een tafereel uit de boeken van Charles Dickens, maar dan in een Derde Wereldversie: kinderen die in smerige werkplaatsen zwoegen aan machines. Maar dat is geen representatief beeld voor de wereld van het werkende kind, zo leert een net afgeronde dissertatie.

De sociologe Ellen Webbink promoveerde vandaag aan de Radboud Universiteit Nijmegen op onderzoek naar kinderarbeid in 16 landen in Afrika bezuiden de Sahara en in Azië. „Toen ik aan dit onderzoek begon”, vertelt ze, „dacht ik bij kinderarbeid aan jongens en meisjes die in sweatshops voetballen in elkaar stikken, barbiepoppen maken en met gevaarlijke stoffen werken. Maar verreweg de meeste kinderen werken onbetaald op het land of in huis. En dat heeft andere oorzaken dan betaalde arbeid buitenshuis. Dat wilde ik laten zien.”

Webbink putte uit twee grote databestanden: de Demographic and Health Surveys (DHS) en de Multiple Indicator Surveys (MICS) van UNICEF. Daaruit bleek dat kinderarbeid verschillende vormen aanneemt: betaald werk in fabrieken, werkplaatsen, groeven en mijnen; huishoudelijk werk; en onbetaald werk in het familiebedrijf of voor derden. Werk in het eigen huishouden – klusjes, schoonmaken – en werken op het land of in de winkel van vader en moeder, die varianten komen het meest voor. Webbink: „In Afrika doet gemiddeld 4,3 procent van de jongens betaald werk, tegen 3,3 in Azië. Van de meisjes werkt in Azië gemiddeld 1,5 procent tegen betaling; in Afrika 3,5 procent. Het is wel zo dat kinderen die betaalde arbeid verrichten veel uren maken, vooral in Azië. Vaak meer dan 40 uur per week.”

Wanneer wordt het werk van kinderen kinderarbeid? Webbink: „Als het een negatieve invloed heeft op school of gezondheid. Een klusje in het bedrijf van je ouders doe je omdat je er toch bent en omdat je er wat van leert. Maar als kinderen zoveel werken dat ze ziek worden en geen tijd overhouden voor andere manieren om zich te ontwikkelen wordt het kinderarbeid.”

De belangrijkste redenen voor het verschijnsel zijn sociaal-economisch, zegt Webbink. „Een kind werkt meestal in een fabriek omdat de familie het geld hard nodig heeft. Ook voorzieningen spelen een grote rol. Als er water voorhanden is, of elektriciteit, is er over het algemeen minder te doen. Meisjes hoeven geen of van minder ver water te halen en dat verlicht hun huishoudelijke taken.”

Maar dit gaat niet altijd op. „Soms is er juist door de beschikbaarheid van stroom meer economische bedrijvigheid, bijvoorbeeld in werkplaatsen met elektrische apparaten. Op het platteland in Azië zie ik dan meer jongens werken.”

Als ouders zelf naar school zijn geweest zullen ze meer moeite doen om kinderen niet te laten werken en naar school te laten gaan. „Mensen met weinig opleiding willen hun kinderen ook naar school sturen, maar je moet wel weten hoe. Als je zelf naar school bent geweest, ken je de taal die ze daar spreken, kun je helpen bij huiswerk. Omgekeerd laten ouders die zelf al jong zijn gaan werken hun kinderen vaker werken. Wat je zelf hebt gedaan, herhaalt zich vaak bij de kinderen. Dat kan leiden tot een armoedeval; en daar kom je niet uit, ook al wil je het beste voor je kind.”

„Dat kinderen in huis werken hoeft niet erg te zijn. En dat ze betrokken zijn bij burenhulp of meehelpen in oogsttijd kan heel positief zijn. Het kan erop wijzen dat je in een gemeenschap woont waarin men elkaar helpt. Maar zodra het werk hun gezondheid bedreigt of scholing in de weg staat, gaat het mis.”

Kristof Lieten, hoogleraar aan de UvA en kenner van kinderarbeid, schreef in 2009: ‘Wetten, scholen, bewustmakingsprogramma’s en gemeenschapsmobilisatie zijn nodig, maar zij zullen falen als zij niet worden ondersteund door een programma om armoede aan te pakken.’ Webbink is het met hem eens. „Waarom werken kinderen? Als ze werken uit geldgebrek en er komt een verbod op kinderarbeid, met sancties, betekent dat niet dat ze naar school gaan. Want dat kost meestal geld. Succesvol zijn daarom programma’s waar kinderen een maaltijd krijgen of geld om schoolspullen te kopen. Zo wordt zowel het werken aangepakt als een uitweg geboden uit de armoede.”