En de hipste architectuur komt uit...

Denemarken is niet alleen de opvolger van Nederland als ‘modernste architectuurland ter wereld’, maar de ontwerpen van de jonge Denen lijken ook op die van Nederlandse bureaus. En dat ontkennen ze niet.

Denemarken is nu wat Nederland in 2000 was: het hipste architectuurland ter wereld. Zoals de internationale architectuurjournalisten omstreeks de laatste eeuwwisseling massaal naar Nederland trokken om de nieuwste gebouwen te zien, zo gaan ze nu naar Denemarken, en dan vooral Kopenhagen, voor het werk BIG, COBE, NORD Architects en andere jonge Deense bureaus. Het ‘Deense wonder’ hebben ze de architectuur van de jonge Denen al gedoopt.

Denemarken is niet alleen de opvolger van Nederland als ‘modernste architectuurland ter wereld’, maar de ontwerpen van de jonge Denen lijken ook op die van Nederlandse bureaus als Rem Koolhaas’ Office for Metropolitan Architecture (OMA) en, meer nog, MVRDV. Super Danish heet dan ook het nummer van het Japanse tijdschrift A+U van september 2012, dat helemaal gewijd was aan het werk van de jonge Denen. De titel is een verwijzing naar Superdutch, het boek dat de avant-gardistische Nederlandse architectuur in 2000 een nu wereldberoemde geuzennaam gaf.

Wat Superdutcharchitecten als Rem Koolhaas, MVRDV, Neutelings/Riedijk en Kas Oosterhuis nu precies met elkaar deelden om ze onder een gemeenschappelijke noemer te brengen, kon de auteur, de architectuurcriticus Bart Lootsma, niet goed duidelijk maken. Maar in de loop der jaren is Superdutch synoniem geworden voor een ‘conceptuele’ benadering van architectuur. Hiermee wordt bedoeld dat één, liefst briljante, vondst het ontwerp voor een gebouw bepaalt. Van de Nederlanders excelleren Koolhaas’ Office for Metropolitan Architecture (OMA) en vooral MVRDV in conceptuele architectuur.

Zo Nederlands is de nieuwe Deense architectuur dat Winy Maas, de M van MVRDV, wordt geïnterviewd in Den ny bølge i Dansk arkitektur/The new wave in Danish architecture, een onlangs verschenen boek over het werk van jonge Deense architecten. Dit komt niet alleen doordat MVRDV een graansilo in de haven van Kopenhagen heeft omgebouwd tot een appartementencomplex, maar ook doordat het Rotterdamse bureau vaak samenwerkt met Deense architecten. Zo bouwt MVRDV met COBE nu een rockmuseum in Roskilde waar het bekende, naar het stadje genoemde popfestival jaarlijks plaatsvindt.

‘Copy & paste – en soms beter’, zo heeft Maas de architectuur van zijn jonge Deense vakgenoten eens omschreven. Echt ontkennen doen de Denen Maas’ ietwat denigrerende opmerking over de Deense architectuur als kopie van de Nederlandse niet. Zo geeft Bjarke Ingels, de oprichter van BIG (Bjarke Ingels Group), in zijn interview in The new wave in Danish architecture ruiterlijk toe dat hij is beïnvloed door de Nederlandse conceptuele architectuur: „Ik ben de eerste om de erfenis van OMA te erkennen. En van Nederland in het algemeen, MVRDV en de hele beweging die in de jaren negentig ontstond. Voor ons is het beslist essentieel dat een project wordt gedreven door een idee.”

De Nederlandse invloed onderging Ingels vooral in de drie jaren waarin hij omstreeks 2000 voor OMA in Rotterdam werkte. Ook Julien De Smedt, de Belgische oprichter van JDS architects, met vestigingen in Kopenhagen en Brussel, werkte een paar jaar bij OMA. Samen met De Smedt ontwierp Ingels The Mountain, een mooi voorbeeld van Deens ‘conceptualisme’ uit 2008. Van de opdracht om een parkeergarage te combineren met appartementen hebben ze in de Kopenhaagse buitenwijk Ørestad een spectaculaire berg gemaakt, die bestaat uit een schuine parkeergarage waarop appartementen met elk een eigen dakterras liggen.

Sinds Ingels in 2006 BIG begon, is hij uitgegroeid tot de grote ster van de Deense architectuur en lid van het flying circus of stararchitects. De nieuwe Rem Koolhaas is hij zelfs al genoemd: overal waar hij lezingen geeft, zoals vorig jaar in de Doelen in Rotterdam, trekt hij volle zalen en hangt het publiek aan zijn lippen.

Toch is Ingels niet helemaal een ‘copy and paste’-Koolhaas. Het grootste verschil is dat hij minder pretentieus is. Terwijl Koolhaas zich met een stroom academische turven over verschijnselen als shopping presenteert als de visionaire architect bij uitstek, is Ingels’ belangrijkste boek tot nu toe, Yes Is More uit 2009, een vrolijk, toegankelijk stripverhaal waarin hijzelf de hoofdrol speelt en uitlegt wat de ideeën achter de gebouwen van BIG zijn. Over globalisering en andere wereldomvattende verschijnselen geen woord.

Meer dan de Deense architecten zelf zijn het Deense critici die zich verzetten tegen de opvatting dat de Superdenen een kopie zijn van de Superhollanders. Zo ziet Boris Brorman Jensen in Out of Holland?, een essay in het Denemarkennummer van A + U, grote culturele en politieke verschillen tussen de Nederlandse en Deense architecten. Veel Superdutch-architectuur getuigt van wat Koolhaas eens dirty realism heeft gedoopt, stelt hij vast: de woelige, mondialiserende wereld is zoals die is en de architect moet zich daar niet tegen verzetten maar er, als een behendige surfer in de branding, gebruik van zien te maken. Maar de Superdenen zijn minder cynisch dan de Superhollanders, stelt Brorman Jensen vast. Terwijl verschijnselen als globalisering en de daarbij horende afbraak van de West-Europese verzorgingsstaat een gegeven zijn voor de Nederlanders, dragen de jonge Denen de verzorgingsstaat juist een warm hart toe. ‘Utopische pragmatisten’, noemt Brorman Jensen de jonge Deense architecten daarom.

Maar het engagement met de verzorgingsstaat betekent toch niet dat de jonge Denen zich nu vooral bezighouden met sociale woningbouw en andere sociale architectuur. Integendeel, mede gedwongen door de crisis die ook de Deense bouw en architectuur heeft getroffen, heeft vooral BIG zich ontwikkeld tot een internationaal werkend architectuurbureau, met een vestiging in New York die wordt bestierd door Bjarke Ingels. En de woontorens die BIG nu bouwt in Noord-Amerikaanse en Chinese steden lijken nog steeds sprekend op die van MVRDV in Azië.