De trui is minstens zo belangrijk als subsidie

Is het internationale succes te danken aan de overheidssteun voor de kunsten? Te makkelijk gedacht. Vlak de plaatselijke ingrediënten en de trui van Sarah Lund niet uit.

Wat is er toch met die trui? De trui die actrice Sofie Gråbøl draagt in de tv-serie The Killing, die dikke, witte, met zwarte of donkerbruine sneeuwvlokpatronen, in wol van de Faerøer-eilanden.

Het ding werd een rage in Engeland en leent zich goed als zinnebeeld van het gros van de theorieën die een verklaring geven voor het internationale succes van de Deense cultuur.

Kort samengevat komen die theorieën op hetzelfde neer: een welvarend maar cultureel perifeer land wordt overvallen door de globalisering en reageert met een restrictief immigratiebeleid, met een uitvoerig nationaal debat over de canon – in alle zeven kunstterreinen die het cultuurministerie onderscheidt – en een fascinatie voor alles wat ‘Deens’ is, of zou kunnen zijn. Daarop volgde het internationale succes. In de truitheorie staat het een niet los van het ander. Want kijk maar: de topchefs van Denemarken weigeren buitenlandse ingrediënten te gebruiken, maar plakken wel stickers op de deur met behaalde overwinningen in internationale competities. Popbands verhuizen naar het buitenland, maar hebben niet meer de neiging een Britse sound te imiteren. De overheid financiert een nieuw architectuurcentrum, maar spreekt van „de Nederlandse aanpak” en vraagt een Nederlander, Rem Koolhaas, om het te ontwerpen. De makers van populaire tv-series als The Killing en Borgen kijken naar Hollywood, maar passen niet het eigen politieke systeem aan op de kennis van de buitenlandse kijker en laten hun hoofdrolspelers in hun nationale outfits lopen, met trui en al.

Conclusie: juist de frictie tussen McWorld en de eigen stam (Vikingen!) hebben de culturele expansie gevoed, en daarmee weer de nationale trots.

Dat is ook de theorie van Patrick Kingsley, auteur van How to be Danish (2012). Hij geeft twee veelzeggende cijfers: 3 procent van Denemarken is moslim. 4 procent heet Larsen.

Ruimhartig cultuurbeleid

Meer materialistisch geïnspireerde denkers wijzen op het geld. De Deense overheid voert immers een ruimhartig cultuurbeleid. In Europa geeft alleen de Noorse overheid meer geld uit aan de kunsten – per inwoner.

Nu is de Deense steun voor de kunsten niet verwonderlijk: Denen dichten de overheid sowieso een grote rol toe in economie en samenleving. Dat is niet veranderd toen ze ophielden trouw sociaal-democratisch te stemmen. Denemarken heeft relatief de grootste collectieve sector ter wereld, ondanks recente hervormingen van de verzorgingsstaat. De overheidsuitgaven zijn 58 procent van het bruto binnenlands product. In gewoon Nederlands: meer dan de helft van alle economische activiteit verloopt via overheidsinstellingen als ziekenhuizen, universiteiten, gemeentehuizen, enzovoorts.

Dat doet Denemarken geen kwaad. Op allerhande lijstjes die IMF en Wereldbank hanteren om landen met elkaar te vergelijken – corruptie, innovatiekracht, welvaart – scoort Denemarken hoog, soms zelfs als beste van de wereld.

Het Britse, wereldwijd verspreide weekblad The Economist wist er niet goed raad mee, zo blijkt uit een recente special over Scandinavië. Ja, zegt het blad, als „een mens met gemiddeld talent opnieuw geboren had moeten worden ergens op aarde, dan is het begrijpelijk dat hij het liefst terugkeert als Viking”. Tegelijk valt het blad niet van het eigen geloof in een flexibele arbeidsmarkt, lage minimumlonen, minder regels en een kleine overheid, veel kleiner dan de overheid in Denemarken.

De worsteling van het weekblad toont iets van de vraag die economen al decennia verdeelt. Aan de ene kant zij die menen dat de arrangementen van de verzorgingsstaat het ondernemerschap ontmoedigen, omdat daarin geen heilig moeten bestaat. Aan de andere kant de economen – minder in getal – die menen dat een stevig vangnet burgers juist het veilige gevoel geeft dat ze iets kunnen wagen, iets riskants ondernemen. Wat de economische groei ten goede komt. Het eerste kamp wijst erop dat Denemarken voorzichtig op zijn schreden terugkeert. Het land heeft recent de pensioenleeftijd verhoogd, de duur van een werkloosheidsuitkering verkort, prepensioenregelingen afgeschaft en het verschil tussen lonen en uitkeringen vergroot.

Dat klinkt bekend: de Deense politiek worstelt met dezelfde problemen als Nederland. En het is waar: we delen niet alleen het kiessysteem van evenredige vertegenwoordiging en hebben in hetzelfde jaar onze belangrijkste grondwetswijziging veroverd op de koning – 1849 – maar we voeren bijna tot in detail dezelfde discussies: van invoering van de dierenpolitie tot militaire missies in het buitenland, de aanschaf van gevechtsvliegtuigen en de uitwerking van een streng immigratiebeleid.

Voor het cultuurbeleid geldt hetzelfde. In een helder rapport over de relatie van de Deense overheid met de kunsten laat cultuurwetenschapper Joris Vermeulen zien waar het debat over cultuurpolitiek in Denemarken de laatste tien jaar over is gegaan. Onderwerpen: instellingen moeten harder op zoek naar geld uit de markt, ze moeten hun marketing beter verzorgen en in het algemeen meer cultureel ondernemerschap tonen om de participatie te vergroten. Want tot zorg van opeenvolgende regeringen neemt zo’n 30 procent van de bevolking nooit deel aan kunstzinnige activiteiten. De cultuurminister in 2009: „Laten we streven naar het collectieve doel van cultuur voor iedereen.” Een lijvig Deens overheidsrapport van vijf jaar geleden stelt dat culturele instellingen „een betere aansluiting op de beleveniseconomie” moeten vinden.

Cultuur en identiteit

Net als in Nederland zien Deense politici het cultuurbeleid als een instrument om de nationale identiteit op te poetsen. Peter Dueland, kenner van het Deense cultuurbeleid aan de universiteit van Kopenhagen: „Dat is in 2001 begonnen, in antwoord op de multiculturele samenleving en om de voornamelijk moslimimmigranten te integreren in de Deense samenleving.”

Opnieuw: het klinkt bekend.

Natuurlijk zijn er ook verschillen tussen Deense en Nederlandse cultuurpolitiek, maar die zitten ’m meer in de hoeveelheid centen, niet in de doelstellingen. Zo loopt bij ons meer dan de helft van de cultuursubsidie via de gemeentes. Bij hen meer dan de helft via de rijksoverheid. In Denemarken bedraagt de btw op concertkaartjes, boeken en kunst het ‘gewone’, hoge tarief: 25 procent. Bij ons niet, al wilde het vorige kabinet-Rutte dat wel. Bij ons gaat er kansspelgeld naar kunst, bij de Denen gaat dat nagenoeg geheel op aan sport.

Daarnaast zijn de Denen al verder met het betrekken van het bedrijfsleven bij grote culturele instellingen. Zo heeft het Koninklijke Theater, dat 42 procent van overheidsbudget voor toneel krijgt, in twee jaar tijd de sponsorgelden weten op te krikken van 2,5 miljoen euro naar 7,5 miljoen. En natuurlijk, er gaat meer geld naar de filmsector – zie het artikel één pagina terug.

Promotie

Is de verklaring voor het internationale succes van de Deense cultuur dan simpelweg te reduceren tot geld? Dueland, groot verdediger van het cultuurbeleid van Denemarken, doet dat graag. Maar hij erkent ook dat juist de kunst waar Denemarken internationaal furore mee maakt, moeilijk op conto van de overheid komt, zoals restaurants, detectives en design. Oké, architectuur wel, en daar lijkt de Nederlandse aanpak van voor de bezuinigingen nu inderdaad Deens succes te genereren. Maar meer geld is relatief. De overheidssteun in Denemarken is vooral zo hoog als je ’m uitdrukt in een bedrag per hoofd van de bevolking. De feitelijke steun is lager dan in Nederland, want er zijn maar 5,5 miljoen Denen. Dus met geld per inwoner is geen verklaring gevonden voor het mondiale succes van één land boven dat van een ander.

Goed, Dueland doet nog één poging het antwoord wel te vinden in de overheidsgelden. Denemarken, zo legt hij uit, heeft sinds vijf jaar een fonds, het Fonden til Markedsføring af Danmark, dat met een jaarlijks budget van 20 miljoen euro strijdt voor de internationale promotie van Deense producten – ook culturele producten.

Het is waar: dat heeft Nederland niet.

Maar kun je het succes van een serie als Borgen verklaren door te wijzen naar het geld dat de overheid uittrekt voor de internationale promotie? Onwaarschijnlijk. Nederlandse politieke series zijn gewoon niet goed genoeg, daar helpen centen niet aan. Waar zit het ’m dan wel in? Adam Price, de maker van Borgen, heeft in een van zijn vele interviews over de serie misschien het geheim verklapt: de afwezigheid van het cynisme over de politici en hun drijfveren dat hier in Nederland zo modieus is onder columnisten, televisieproducenten en scenarioschrijvers. Politici worstelen bij hen niet, maar zijn per definitie slecht. Dat maakt ze oninteressante figuren. Zo niet in Borgen. Price: „Het klinkt idealistisch op het misselijkmakende af, maar ik wilde een saluut brengen aan de democratie.”

    • Pieter van Os