De dochters zijn nog heel boos

Wil van Dijken werd niet goed behandeld in het Ruwaard van Putten Ziekenhuis. Sommige artsen spraken amper met elkaar, blijkt uit een hoorzitting.

Wil van Dijken was een sterke vrouw. Tot haar zestigste maakte ze schoon bij bedrijven, ze had de huishoudschool gedaan. In haar eentje voedde ze vier kinderen op. Ze woonde met twee volwassen dochters in het Rotterdamse Hoogvliet in een hoekwoning die wordt bewaakt door twee herdershonden. Van Dijken was sinds drie jaar hart- en longpatiënt en overleed vorige week op haar 67ste. Gisteren werd ze gecremeerd.

Haar dochters hebben nóg een zorg: zaterdag kregen ze het verslag van de hoorzitting bij de klachtencommissie van het Ruwaard van Putten Ziekenhuis in Spijkenisse. Die commissie boog zich vier weken geleden over de casus van Wil van Dijken. Haar dochters Paula (44) en Linda (36) hadden klachten ingediend over haar behandeling. Ze lag in totaal vier maanden in dat ziekenhuis, in 2010. Dat is het jaar waarin, zo bleek later, de afdelingen cardiologie én longziekten van het ziekenhuis grote problemen hadden. Er stierven meer patiënten dan elders op vergelijkbare afdelingen. Pas eind 2012 werd dat algemeen bekend, waarna de cardiologen werden geschorst. Sindsdien staat het ziekenhuis onder verscherpt toezicht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg én onderzoekt het ziekenhuis zelf alle sterfgevallen van 2010 tot en met 2012.

De dochters van Wil van Dijken zijn zo boos over de manier waarop de dokters in het Ruwaard hen en hun moeder behandelden dat ze nu de publiciteit zoeken. Paula is een geboren vechter, zegt ze in de woonkamer in Hoogvliet, net als haar moeder dat was. Paula bokst, ze traint twee keer per week. Op haar kuit staat een tatoeage van een herdershond.

Uit het woordelijke verslag van de hoorzitting blijkt dat de dokters misschien wel inschattingsfouten maakten, maar dat ze vooral slecht communiceerden. Met elkaar en met de familie. Zo kregen de kinderen op een goed moment een brief van de longarts met de aanhef: ‘Aan de nabestaanden’, terwijl hun moeder nog leefde. De arts in kwestie is niet op de hoorzitting gekomen. Men deed in 2010 de klachten van Van Dijken soms af als ‘psychisch’ en leek de familie niet serieus te nemen. De patiëntbejegening, zoals het heet in jargon, lijkt tekort te zijn geschoten.

Wil van Dijken overleed vorige week na twee jaar „heel goed” te zijn verzorgd, volgens haar dochters, in een verpleeghuis in Hoogvliet. Wel had ze in die jaren telkens kleine hersenbloedingen waardoor ze steeds zwakker werd. Maar als het aan het Ruwaard van Putten had gelegen, was ze al in mei 2010 definitief in slaap gebracht met een morfinepompje.

Dat zat zo: ze was opgenomen met zware kortademigheid, de dienstdoende longarts dacht dat ze zou overlijden en wilde haar ‘palliatief’ morfine geven. Haar kinderen weigerden die ingreep. „Onze moeder was toen 64 jaar, veel te jong om te sterven”, zegt Paula. Het hoorzittingsverslag beschrijft dat de dienstdoende longarts níét kwam opdagen ’s avonds, wat wel was afgesproken, om met de familie te praten over de morfine. Waarom ze niet kwam, weet de longarts niet meer, blijkt op de hoorzitting. Wel is ze achteraf „ergens blij” dat ze afzag van de morfinedood op aandringen van de kinderen. Want de volgende dag krabbelde Wil van Dijken weer op en ze leefde nog drie jaar. De voorzitter van de klachtencommissie zegt tijdens de zitting over de verwijten van de dochters: „Artsen moeten een taxatie maken, ze hebben geen glazen bol.”

Vier dagen na die bijna-dood, werd Wil van Dijken met een zuurstoftank naar huis gestuurd door een andere longarts van het Ruwaard. Veel te vroeg, zeggen haar dochters. Thuis kon ze de slaap niet meer vatten – drie dagen en nachten lang lag de vrouw wakker. Via de huisarts werd ze wéér opgenomen in het Ruwaard. Maar de arts die haar naar huis had gestuurd, sprak niet met de longarts die haar opnieuw opnam. Op herhaalde vragen van de voorzitter over waarom de dokters niet overlegden toen Wil van Dijken na drie dagen terugkwam, antwoordt de verantwoordelijk longarts: „In ons vak komt het voor dat patiënten zijn ontslagen en kort nadien weer op de stoep staan. Bij volgende opnames kijken we hoe we een patiënt optimaal kunnen stabiliseren. Dat gebeurt niet bij elke opname.” En: „Niet-bijzondere dingen dragen wij niet over.”

En dan de cardiologen, bij wie Wil van Dijken eind 2010 als hartpatiënt werd opgenomen. Die zijn nu allemaal geschorst.

Wil van Dijken liep in zes weken op de cardiologie zware doorligwonden op. Erger, vinden haar kinderen, was dat ze er van een co-assistent – dat is géén afgestudeerd arts – al in december 2010 te horen kregen dat hun moeder naar huis mocht omdat ze „uitbehandeld” was. Welke cardioloog voor dit besluit verantwoordelijk was, wordt ook tijdens de hoorzitting niet duidelijk. Wanneer de voorzitter aan de cardioloog vraagt: „Mevrouw heeft zes weken opgenomen gelegen. Was u haar hoofdbehandelaar?”, antwoordt die dokter: „Ik weet niet of dat is na te gaan.”

Volgende week velt de klachtencommissie van het Ruwaard een oordeel. Pas dan wil het ziekenhuis reageren, zegt het desgevraagd.

Hun moeder zou sowieso op termijn zijn gestorven, want zo gezond was ze niet meer, erkennen haar dochters. Maar in de vier maanden in het Ruwaard, zeggen zij, kreeg ze meer problemen dan zorg.