De Denen hebben de Trui, Nederland heeft de Jurk

AMSTERDAM - Koning Willem-Alexander en koningin Maxima luisteren samen met premier Mark Rutte naar een toespraak in het Muziekgebouw aan het IJ op de dag van de inhuldiging van koning Willem-Alexander. ANP ROYAL IMAGES CATRINUS VAN DER VEEN

Denemarken? Tv-series. Duistere scenario’s, broeierige regie. Acteurs die doodgewone mensen zonderlinge trekjes verlenen. Met stevig commercieel succes, zonder dat de Denen boodschap hebben aan gehengel naar kijkcijfers met gratuite spanning, dwangmatig gegrap of braaf gehendrik. Unverfroren wordt een complex verhaal ontvouwd. Over politiek. Over moord. Over moord en politiek. En de hoofdpersoon is meestal een vrouw. Lichtelijk contactgestoord, stoer, maar alles behalve mannelijk. Ze zijn niet toevallig zo, allemaal gaan ze terug op Lisbeth Salander, spil van de Zweedse literaire succestrilogie Mannen die vrouwen haten van Stieg Larsson.

De afgelopen jaren ben ik verslingerd geweest aan Borgen en aan The Bridge (Broen in het Deens). Maar het begon met The Killing (Forbrydelsen). Eerste reeks. Ik keek naar deel 1, zag een lustmoord gepleegd worden en werd meegezogen in een verhaal dat stuiterde van de huiselijke kring naar de gemeentepolitiek en terug.

Een klein uur later kon ik me niet bedwingen en keek naar deel 2. Toen was het nacht en ik was moe.

Toch maar even deel 3.

Binnen een week had ik alle 20 afleveringen uit. The Killing bleek verslavend, wat niet gek is want eigenlijk is het een langgerekte, uitstekende speelfilm – en daarbij sta je nu eenmaal niet graag op.

Maar laten we de trui niet vergeten, de trui van heldin Sarah Lund. Bruin met ingebreide witte motieven. Soms is hij in de was, maar dan heeft ze een wit met bruine. De trui ging een eigen leven leiden, er werd over geschreven, gespeculeerd, zelfs gefilosofeerd.

De alomtegenwoordigheid van de trui in het oog van de wereld wees op effect en invloed van het Deense tv-drama.

En nu: de jurken van Máxima. Bij de inhuldiging van haar echtgenoot droeg ze tweemaal een ontwerp van de Nederlandse modeontwerper Jan Taminiau. Dat viel tot ver buiten de grenzen op, wat een groot succes voor hem persoonlijk betekent en een bron van trots voor het Nederlandse publiek, dat indirect een sterke aanwijzing kreeg dat investeren in kunstsubsidies zin heeft. Want zonder de stipendia waarmee het Mondriaanfonds Taminiaus carrière steunde, had hij dit niveau niet nu al bereikt. En dan had de koningin geen kleren gehad. Althans, niet deze. Niet die middagoutfit in royal blue, een theaterkostuum van jewelste. Niet die knallende, transparante avondjurk, sexy en smaakvol en wars van hoffelijke omzichtigheid.

Taminiaus succes en het effect ervan kwamen te laat om het mee te wegen in het onderzoek Kunstminnend Nederland van het Sociaal Cultureel Planbureau. Het SCP bekeek in welke mate Nederlanders in kunst geïnteresseerd zijn. In dat verband was het interessant geweest in hoeverre Nederlanders eigenlijk doorhebben hoezeer de kunst hun leven inkleurt, met als voorbeeld dus die koninklijke japonnen in de Nieuwe Kerk en op het IJ. Hoewel, snapt het SCP dat? Dat beperkt die belangstelling strikt tot het bezoek van musea en podiumkunsten. Rare insteek. Kan alleen maar leiden tot een geamputeerde visie.

De belangstelling voor kunst is groot, concludeert het SCP. Het bereik van kunst en cultuur ligt in Nederland gelijk aan dat in Scandinavië, ruim boven het Europese gemiddelde. Het merkwaardige is dat het rapport dat heugelijke gegeven knarsetandend vermeldt. Het goochelt wat en concludeert dat dat hoge aantal juist láág is: gemiddeld tweederde van dat – dus grote – aantal kunstliefhebbers komt er niet toe om naar een voorstelling of tentoonstelling toe te gaan. Oftewel: ze wíllen wel, maar ze komen er niet aan toe. Althans, niet allemaal.

En de dans, waarschuwt het SCP, scoort het laagst.

Ik bezoek The Red Piece van Ann Van Den Broek. Moderne dans van een tegendraadse choreografe. Geen romantiek op spitzen, maar een provocerend stuk over de bittere kant van hartstocht. De zaal zit vol. Nu ja, dat is Amsterdam, is dan altijd het antwoord, dat heeft een vast danspubliek. Maar een kennis bericht dat de vorige avond in Haarlem de zaal ook afgeladen was, voor het dansstuk What the body does not remember van de minstens zo heftige Wim Vandekeybus.

Ik ga uitzoeken wanneer Vandekeybus weer te zien is. Ik wil. Ik ga.