Behandel rechters nou eens als artsen

Rechters moeten leren wat het effect is van een opgelegde straf. Het onderzoek daarnaar staat nog maar in de kinderschoenen, schrijft Ben Vollaard.

Een rechter kan een jeugdige veelpleger voor exact hetzelfde delict twee weken laten vastzetten of twee jaar. Dit laatste kan in een zogenoemde inrichting voor stelselmatige daders. Persoonlijke inschattingen en voorkeuren van rechters spelen bij deze ingrijpende keuzes een belangrijke rol.

Dit is af te lezen aan verschillen in straf die verschillende rechters voor hetzelfde delict opleggen. Deze verschillen bestaan ook tussen arrondissementen. Het blijkt zelfs dat het voor het vonnis uitmaakt of de rechter net heeft gegeten of niet.

Wat gebeurt er nadat de rechter zijn of haar werk heeft gedaan? Komt dat overeen met wat rechters verwachten? Onderzoek hiernaar zou een gezonde reality check vormen voor rechters. Maar dergelijk onderzoek speelt in de rechtzaal hoegenaamd geen rol, zoals strafrechtjurist Tineke Cleiren onlangs zei in het NTR-radioprogramma Hoe? Zo!

Ze gaf daar ook een reden voor. Onderzoek betreft de uitwerking van een straf voor een groep daders, bijvoorbeeld ‘veelplegers jonger dan 25 jaar met meer dan tien delicten op hun naam’. Op basis van de lotgevallen van één individu zijn moeilijk brede conclusies te trekken. Een rechter heeft niet met een groep te maken, maar met een individu. Elk individu is verschillend, en dus maakt de rechter in alle vrijheid een eigen afweging.

Het klinkt logisch, toch klopt deze redenering niet. Alleen als rechters superieur inzicht hebben in de werking van straffen is onderzoek naar de werking van straffen irrelevant. Maar als rechters ook in het duister tasten – wat goed is voor te stellen gegeven bovengenoemde verschillen in het rechtelijk oordeel – dan doen zij er goed aan onderzoeksresultaten wel bij hun keuze te betrekken. Dat gebeurt nu te weinig.

Vergelijk rechters eens met artsen. Ook zij nemen ingrijpende beslissingen onder onzekerheid. Voor de keuze van de juiste behandeling bestaan duidelijke richtlijnen. Deze richtlijnen zijn gebaseerd op onderzoek naar de effecten van medische ingrepen. Een arts zal niet zonder goede redenen van de richtlijn afwijken. Als het fout gaat, en het komt uit dat de richtlijn niet is gevolgd, dan kan het resultaat zijn dat de arts zijn of haar werk niet meer mag uitoefenen.

Het is niet goed voor te stellen dat rechters veel beter inzicht hebben in de werking van straffen dan artsen in de werking van medische ingrepen. Kortom, als artsen zich aan richtlijnen op basis van het laatste wetenschappelijk onderzoek hebben te houden, waarom rechters dan niet? Onjuiste inzichten van rechters blijven zo ongecorrigeerd.

Onderzoek op justitiegebied kent wel extra uitdagingen. Artsen kunnen vertrouwen op medische experimenten, maar de ruimte hiervoor binnen het recht is beperkter. Tot nog toe weten de meeste onderzoekers hier niet goed raad mee. Het onderzoek naar het effect van taakstraffen op recidive is exemplarisch. Mensen die een taakstraf krijgen, zijn niet zomaar te vergelijken met mensen die een korte gevangenisstraf krijgen.

Dat zou inderdaad appels met peren vergelijken zijn, zoals PVV-Kamerlid Lilian Helder in een geruchtmakend Kamerdebat stelde. De onderzoekers wisten dit, maar zijn vervolgens appels en peren van dezelfde leeftijd, hetzelfde geslacht, enz. gaan vergelijken. Dit werkt natuurlijk niet goed, omdat rechters ook naar kenmerken van daders kijken die niet in cijfers zijn te vangen. Mensen met en zonder taakstraf blijven onvergelijkbaar. Deze aanpak van onderzoek is een doodlopende weg.

Het kan anders, beter. Geloofwaardig onderzoek op justitiegebied lost het toewijzingsprobleem op. Dat kan maar op één manier: door willekeurige variatie te benutten in wie wel en wie niet de taakstraf krijgt. Alleen dan is de claim te maken dat verschillen in recidive het resultaat zijn van het type straf. Dat hoeft niet altijd door de rechter een muntje te laten opgooien bij de keuze van de straf. Wie de manier waarop rechters in de praktijk vonnis wijzen bestudeert, komt vanzelf willekeurige variatie tegen. Alle aandacht van de onderzoeker moet zich op dit toewijzingsprobleem richten.

Soms levert het recht zelf willekeurige variatie op. Wie bijna achttien is, valt in de regel onder het jeugdstrafrecht. Wie net achttien is, valt onder het zwaardere volwassenenstrafrecht. Daders van rond de achttien zijn vergelijkbaar, maar de straf kan plotseling een stuk zwaarder zijn. Een ander voorbeeld is dat een nieuwe maatregel soms eerst in een aantal arrondissementen opgelegd kan worden en pas jaren daarna in de rest van het land. Deze ongelijkheid is een mooie bron van toevallige variatie.

Dit is een fundamenteel andere manier van onderzoek doen. Het is creatiever en overtuigender tegelijkertijd. Binnen een deel van de sociale wetenschappen is het standaard, maar niet binnen onderzoek op justitiegebied. Het wachten is tot ook deze onderzoekers zich bekeren tot een manier van werken die hun onderzoek relevant maakt voor rechters en het brede publiek. Dan is voortgang te maken met het vaststellen van richtlijnen voor rechterlijke beslissingen en wordt Nederland nog veiliger.