Met een miljonair heeft niemand medelijden

Lees The Great Gatsby en je ziet het allemaal voor je. Klaar voor verfilming, lijkt het. Maar zo simpel is het niet. Baz Luhrmann waagt zich eraan in 3D.

Het is maar een half zinnetje, een verwijzing naar ‘the consoling proximity of millionaires’ – de troostrijke nabijheid van miljonairs. Het is een van de vele observaties van F. Scott Fitzgerald in het koortsachtige feest dat hij geeft met The Great Gatsby. Een raadselachtig boek, maar daar zou ’m de kneep kunnen zitten. Rijkdom verwarmt niet wie het heeft, maar wie het niet heeft. Miljonairs zijn experts in het acteren van zorgeloosheid. En die zorgeloosheid, dat is waar de cruciale personages van Fitzgeralds roman zo ontzettend naar verlangen. Daarom willen zij zo graag verkeren met rijke mensen. Verteller Nick die niks heeft, net zo goed als zijn buurman Jay Gatsby, ook al heeft hij inmiddels alles. En niet te vergeten die honderden gasten die komen partyen in en om Gatsby’s enorme huis op Long Island. Ze zoeken troost. Ze vinden bedwelming. Ze dansen op de rand van de afgrond, maar dat weet niemand nog. Zelfs Fitzgerald niet, zijn boek kwam uit in 1925.

Maar wij weten het wel en dat kleurt onze leeservaring. De roaring twenties zullen weldra, in 1929, geguillotineerd worden door de Krach, de Depressie, de Crisis. Eigenlijk voelt iedereen het aankomen, lijkt het wel.

Het razen van de jaren 20 werd in de VS extra fel door de Drooglegging. Het verbod op alcohol speelde niet alleen de georganiseerde misdaad in de kaart, het liet rijk en arm elkaar letterlijk tegen het lijf lopen, in illegale clubs en kroegen. Drank mag niet? Ha! Zuipen zullen we, allemaal.

Start the car, I know a whoopee spotwhere the gin is cold but the piano is hot…

Dat werk.

Rijk en arm vinden elkaar in het snakken naar de roes. Omarmen elkaar. Dansen, gokken en drinken. Springen uit de band en in bed. Niet dat er geen klassenverschil is, of dat geld er niet toe doet. Maar wie uitzinnig durft te zijn, komt een heel eind op de ladder, zowel omhoog als omlaag. De heftigheid maakt licht in het hoofd. Denken hoeft even niet. Wat is het heerlijk om zorgeloos te zijn.

Jay Gatsby was arm maar nu is hij miljonair. In de bijbehorende zorgeloosheid wil hij nu alsnog de rijke Daisy tot de zijne maken. Die is inmiddels met een steenrijke ander getrouwd. Nu moet ze gewoon even toegeven dat ze niet van haar echtgenoot houdt maar van hem, de grote Gatsby. Vindt Gatsby.

Als geboren armoedzaaier begrijpt hij ondanks al zijn geld niet dat voor deze rijken een huwelijk een kwestie van berekening is. Liefde haal je bij de lagere klasse. Dat doet Daisy’s man, dat doet zij ook. En zonder compassie voor de ‘gewone’ mensen die zich hun minnaars wanen. Die kunnen letterlijk doodvallen, maar zo ver zijn we nog niet.

Lees The Great Gatsby en je ziet het allemaal voor je. Klaar voor verfilming, denk je.

Maar zo simpel is het niet. Want wat zie je nou echt, als je dit boek leest? Niks. Het verveelde meisje dat aan tafel gaat „of ze in bed gaat liggen” – het is een glashelder beeld, maar wat staat er nou helemaal? Hoe verbeeld je zoiets?

De verfilming uit 1974, met Robert Redford als Gatsby en Mia Farrow als Daisy, schoof Fitzgeralds metaforen van doem en gloem op veilige afstand. Francis Coppola, die het scenario schreef, bewerkte de roman tot een overzichtelijk verhaal over een ongrijpbare vrouw, tegen een stijlvol decor van art déco.

En nu doet filmer Baz Luhrmann, de wildebras van Moulin Rouge en Romeo + Juliet een gooi. Ook in zijn film is de bedding art déco en charleston, maar hij zoekt een angel en die vindt hij om te beginnen in die troost van de nabijheid van miljonairs. Die laat zich namelijk uitmuntend uitbeelden op film. Denk aan de schroeiende feesten, bezocht door de rotten crowd zoals Fitzgerald dat noemt.

Luhrmann duikt tussen de New Yorkers die krioelend als lemmingen zich op Gatsby’s feesten misdragen, terwijl een soort Cab Calloway het orkest leidt en chorus girls à la de Ziegfeld Follies tapdansen aan de rand van zijn azuren zwembad. Onderhuids overheersen spleen en gemelijkheid. Geen makkie voor Luhrmann maar hij krijgt er zijn vinger achter, door zich te concentreren op Fitzgeralds observatie: hoe groter een feest, des te intiemer het is. Een groot feest biedt anonimiteit, je kunt er onopgemerkt eenzaam zijn, wezenloos zelfs – dat roepen Luhrmanns razende beelden inderdaad op, en ze monden uit in de triestigheid van de gastheer.

Leonardo DiCaprio is Jay Gatsby. Hij speelt hem niet als een tragische antiheld maar als een nouveau riche. Iemand die zijn nieuwe rijkdom draagt als een verdwijnmantel (om even met Harry Potter te spreken). En die mag hij niet afleggen, want dan verdwijnt hij pas echt – uit het leven van de vrouw die hij wil veroveren: Daisy, „the best thing a girl can be: a beautiful little fool”, schrijft Fitzgerald. En zo regisseert Luhrmann haar ook, maar Gatsby is verblind door haar weelde en ziet dat niet.

Er is al negatief gereageerd op deze film, wat zal komen doordat voor Luhrmann het verhaal het halve werk is. Wie een literaire film verwacht, komt bedrogen uit. Hij is een filmmaker, hij wil met beelden doen wat Fitzgerald met woorden deed. Dat leidt tot effecten die mij bevallen, maar die een ander zal beschouwen als heiligschennis.

Als Gatsby zich gelukkig voelt omdat hij Daisy even voor zichzelf heeft, verhevigt Luhrmann licht en kleuren tot pastelsterke. Vitrages wapperen. Stokroosjes en magnolia’s bloeien. Het doet denken aan de eeuwige lente in My Fair Lady, aan de ‘jolly holiday’ van Mary Poppins.

Ik bedoel dat niet neerbuigend, integendeel. Ik volg de associatie. Ja, zo naïef feestelijk voelt Gatsby zich, als hij veronderstelt dat hij nu heel dicht nadert tot het waarmaken van zijn droom.

Oppervlakkig? Nee. Het snijdt diep, je moet alleen even beseffen waar die droom ontstond. Gatsby is een veteraan uit de Eerste Wereldoorlog. Hij heeft in Frankrijk onder vuur gelegen, hield zich staande in de loopgraven door de herinnering aan die ene maand met Daisy. Als hij de oorlog overleeft en als hij fortuin maakt, dan is ze van hem, belooft hij zichzelf.

Het lukt hem. Hij leeft en wordt onmetelijk rijk. Hij neemt een chique Europees getoonzette identiteit aan en creëert een nieuw verleden. Hij is een ander geworden, en die nieuwe, verbeterde ik strekt zich ook uit tot die jongen van toen. Die verliefd was op dat meisje, Daisy, en zij op hem – en dit keer kan het wél goed komen.

Maar, houdt zijn vertrouweling Nick hem voor, je kunt het verleden niet herhalen.

Gatsby reageert hogelijk verbaasd: „Can’t repeat the past? Why of course you can!”

Er ligt hartverscheurende overmoed in die zinnen, en zo spreekt DiCaprio’s Gatsby ze ook uit. Hij is rijk nu, maar zijn rijkdom verdooft zijn pijn niet. Troost zit er voor hem niet in en op mededogen hoeft hij niet te rekenen.

Wat was, dat is. Wat gebeurd is, is voorbij. Dat vertelt Fitzgeralds roman. Dat verbeeldt Luhrmanns film.