Jammer van de kater, maar wat een feest

Baz Luhrmann is gefascineerd door Bollywood. Ooit vertelde hij met verbazing te hebben toegekeken hoe tweeduizend Indiërs drieënhalf uur lang in vervoering waren bij een film die ongegeneerd zwalkte tussen platte komedie, zang en dans en in tranen gedrenkt melodrama. Komische tragedies, het soort volksvermaak dat Shakespeare indertijd bood, speculeerde hij.

Na zijn onfortuinlijke uitstapje richting filmepos – Australia – keert Luhrmann nu terug naar de Bollywoodstijl van zijn ‘Red Curtain Trilogy’: Romeo + Julliet, Moulin Rouge, Strictly Ballroom. Uitgebeend melodrama in een artificiële, intense realiteit, zingend en dansend richting tranendal. In The Great Gatsby betrekt verteller Nick in 1922 een strandhuisje naast het chateau van de mysterieuze rijkaard Jay Gatsby op West Egg, waar New Yorks nieuwe geld kitschpaleizen bouwt. Gatsby organiseert extravagante feesten om zijn oude vlam Daisy binnen te lokken, zo blijkt. Als trofeevrouw van de reactionaire bruut Tom Buchanan woont zij tussen het oude geld aan de overzijde van de baai.

Liefhebbers van F. Scott Fitzgeralds klassieke roman uit 1925 waren vooraf sceptisch of Luhrmann zou doordringen in de lagen droeve ironie onder de liefdesdriehoek. Natuurlijk niet: de cast presteert zelfs onder niveau. Joel Edgerton maakt van Tom Buchanan een botte, sigaren kauwende naarling, Carey Mulligan is als Daisy kleurloos, Tobey Maguire met zijn vissenogen en streepmond weet ons als Nick hooguit van scène naar scène te slepen en Leonardo DiCaprio is een Jay Gatsby die schuttert als een verliefde schooljongen.

En toch is het wel goed zo. Bij musicals, Bollywood en Luhrmann passen geen complexe personages met subtiele emoties, maar bordkarton en grote gebaren. The Great Gatsby beoogt weinig meer dan de jaren twintig te laten brullen in een keten uitzinnige feesten, vanaf een huiskamerorgie in Harlem met dronken flappers, champagne en jazztrompetten op het balkon tot miljardairsraves die grenzen aan Project X. En dan het schuldige ontwaken de volgende ochtend, murw gebeukt, de schedel op barsten, de mond vol zand en as en zuur.

Baz Luhrmann stort ons in het feestgedruis, zijn camera wurmt en wentelt en wervelt en zoomt op rails en hefkranen, onder en boven de dansvloer, in slow motion of exploderend in split screens. Zijn The Great Gatsby speelt in een hysterische coulissenwereld waar men de meer ingetogen dialogen houdt tijdens een dodenrit in een kanariegele Cadillac. Het feest is het verhaal, de cyclus van exces en crisis, met overduidelijke resonantie tussen de beurscrash van ’29 en de kredietcrisis. In deze cinema van nooit genoeg zijn acteurs decor, op zich niet veel belangrijker dan de kostuums of die lekkere soundtrack met oude jazz en loungerap van Jay-Z. Maar kater of niet, dit feest had je niet graag gemist.