Column

Het is groen en het blaast zeepbellen

Afgelopen najaar zorgde het Internationaal Energie Agentschap voor een schok door te voorspellen dat de Verenigde Staten voor het einde van dit decennium een netto-exporteur van olie zouden worden. De reden voor deze geopolitieke bom: de winning van olie uit schaliegesteente, die veel harder gaat dan tot dan toe werd gedacht. Het IEA bleek gisteren, in zijn vijfjaarlijkse outlook, alweer een stap verder. In de eerstvolgende vijf jaar zorgen de VS in hun eentje voor ruim eenderde van alle nieuwe toevoer van olie: 2,3 miljoen vaten per dag. De wereldwijde vraag gaat tussen dit jaar en 2018 van 90,58 miljoen naar 96,68 miljoen vaten per dag. Het IEA, overigens voorgezeten door oud-CDA-minister Maria van der Hoeven, noemt de Amerikaanse olierevolutie inmiddels de belangrijkste ontwikkeling sinds de opkomst van China.

Inmiddels is er, ook in Nederland, een flinke discussie ontstaan over de voors en tegens van schaliegas en schalieolie. Wellicht kan die afweging verdergaan dan de eigen achtertuin. Tussen de regels door valt bij het IEA te lezen dat de gebruikte methodiek ook bestaande velden die richting de uitputting gingen kan reanimeren. Volgens het Agentschap kan dat er zelfs toe leiden dat oliemaatschappijen vaker afzien van nieuwe avonturen in steeds riskantere gebieden – lees: het poolgebied, om maar iets kwetsbaars te noemen.

Voor wie het beste voor heeft met het milieu worden het complexe en lastige afwegingen. Schaliemethodes die elders erger voorkomen. Goedkoop Amerikaans steenkool dat hier in Europa de vervuiling opjaagt omdat de schaliewinning hier niet op gang komt en in de VS wel.

Voeg daar nog eens een ingewikkelde aan toe, ditmaal aan de vraagkant van het internationale energiedebat. De wereldeconomie groeit, en dus ook de vraag naar energie. Maar naarmate landen zich verder ontwikkelen neemt hun relatieve behoefte aan energie wel af. Diensten beginnen een groter deel uit te maken van de productie, technologie verbetert en milieubewustzijn groeit.

De behoefte wordt op een elegante manier berekend: hoeveel eenheden bruto binnenlands product (noem het voor het gemak ‘welvaart’) kan een land maken met één eenheid energie? De Wereldbank houdt dit bij. China, bijvoorbeeld, produceert slechts 3,5 eenheden welvaart per eenheid energie. De Verenigde Staten, niet erg zuinig, komen op 6 eenheden. Europa scoort veel hoger, met meer dan 9 eenheden voor Duitsland, waar Nederland, met 8, niet erg gunstig bij afsteekt.

Opvallend genoeg zijn er twee absolute winnaars in Europa: het Verenigd Koninkrijk met 10,9 eenheden welvaart per eenheid energie, en Zwitserland met zelfs 12,2. De meest voor de hand liggende verklaring is dat beide landen een relatief grote financiële sector binnen de grenzen hebben. Dat is even slikken: banken en andere financiële dienstverleners suggereren de productie van een hoge welvaart en gebruiken daar maar weinig grondstoffen voor. Speculeren mag dan fout zijn en de samenleving de afgelopen vijf jaar handenvol geld hebben gekost, groen is het kennelijk wel. Daar kan de sector, op zoek naar rehabilitatie, altijd nog goede sier mee maken.

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.