Brieven & Tweets

Vuijsjes cijfers stroken met mijn onderzoek

Vriendelijk over historici was Vuijsjes Wie het wilde weten, kon het weten (NRC Handelsblad, 4 mei) niet. Echter, Van der Booms weerwoord Nederlanders wisten niet van Holocaust (11 mei) weet daar nog meer van. De lezer verneemt dat Vuijsje drie denkfouten begaat, alsof Van der Booms dagboekanalyses daardoor sterker worden. Volgens Van der Boom berust zelfs Vuijsjes vraagstelling op een denkfout, maar hij vergeet dat onderzoek naar niet geheel treffende vragen wel vaker leidt tot belangwekkende resultaten.

Het erge is evenwel dat Van der Boom miskent dat Vuijsjes vraag in een belangrijk opzicht verder gaat dan zijn eigen vraag. Terwijl Vuijsjes vraag luidde hoeveel niet-joodse Nederlanders wisten dat gedeporteerde Joden werden vermoord, luidde Van der Booms vraag slechts hoeveel de Nederlanders wisten van het lot van hun Joodse landgenoten. Dat het Vuijsje niet ging om de kennis van ‘de’ Nederlanders, blijkt uit zijn berekening van het aantal mensen dat via buitenlandse zenders of illegale kranten had gehoord van of gelezen over de uitroeiing van de Joden.

Volgens Vuijsjes boek uit 2006 waren dat er in 1942 ten minste 750.000, en misschien wel 1 miljoen, op een bevolking van 8,8 miljoen, ofwel rond de tien procent. Van der Booms analyse uit 2011 van de inhoud van oorlogsdagboeken bevat daarentegen geen schatting van dit percentage, of het moet bij implicatie nul zijn.

Opvallend genoeg stroken Vuijsjes cijfers met data uit andere bron. Tussen 2005 en 2010 verzamelde ondergetekende met zijn studenten onder Nederlanders die voor 1930 zijn geboren gegevens over de Tweede Wereldoorlog. Enige daarvan maakte ik in 2011 bekend. De open vragen in de gesprekken over wat mensen zagen en hoorden van de verschillende fasen in de Jodenvervolging werden afgesloten met de vraag wanneer mensen voor het eerst van gaskamers hoorden. De antwoordmogelijkheden, met tussen haakjes de desbetreffende percentages, waren: ‘vroeg in de oorlog’ (2%), ‘midden in de oorlog’ (14%), ‘aan het eind van de oorlog’ (16%), ‘kort na de oorlog’ (40%), en ‘pas later’ (29%).

Wout Ultee

Amsterdam

Anne Frank wist het ...

Bart van der Boom schrijft dat niemand van de door hem bestudeerde 164 dagboekschrijvers „in heldere bewoordingen stelt dat de Joden niet tewerkgesteld werden, maar in meerderheid bij aankomst gedood werden.”

Heeft Bart van der Boom het beroemdste oorlogsdagboek ter wereld niet gelezen?

Anne Frank schrijft op 9 oktober 1942 in haar dagboek: „Als ‘t in Holland al zo erg is hoe zullen ze dan in de verre en barbaarse streken leven, waar ze heengezonden worden? Wij nemen aan dat de meesten vermoord worden. De Engelse radio spreekt van vergassing, misschien is dat wel de vlugste sterfmethode. Ik ben helemaal van streek.”

Denise de Costa

Auteur Anne Frank & Etty Hillesum

...en Hanny Michaelis ook

Hanny Michaelis (geboren in 1922), de latere dichteres, hield tijdens de oorlog een dagboek bij. Op maandag 29 juni 1942 noteerde zij daarin: „Vanavond zijn pappie en mammie thuisgekomen met het bericht, dat binnenkort alle Joden (en de Duitse het eerst) naar Polen en Duitsland zullen worden gedeporteerd om in de fabrieken te werken of te worden vergast.”

Nop Maas

Haarlem

Al die wijsheid over toen

Laat alsjeblieft een ieder die na 1940 geboren is nu eindelijk eens zo verstandig zijn geen mening meer te hebben over hoe de Nederlanders zich tijdens de oorlog hebben gedragen.

Je zult maar opgepakt zijn geweest, gebombardeerd zijn of een familielid hebben verloren en nu als alle Nederlanders van toen als lafaards bestempeld worden. We zouden toen alles hebben moeten weten, maar hebben de kop in het zand gestoken. Dat is de mening die nu door veel ‘wetenschappers’ verkondigd wordt over het gros van de bevolking van toen.

Vele avonturiers van toen worden nu als helden ervaren en vele echte helden worden verguisd of als meeloper bestempeld. Alleen wie het heeft meegemaakt, heeft enig recht van spreken, alle anderen moeten hun mond houden. Stop met die wijsheid over toen!

A. van der Werf (geb. 1926)

Velp

Het was zo: wie het wist kon het niet geloven

Het artikel van Ies Vuijsje en de discussie daarover gaat over de vraag of feitelijk vast staat dat ‘gewone Nederlanders’ wisten van de massavernietiging van de Joden.

Voor mijn grootvader Siegfried Emmering (1900-1993) was dat geen vraag. Als Jood in Amsterdam wist hij dat al eind 1942.

Vele malen heeft hij het mij, zijn oudste kleindochter, verteld. Hij wist het en tegelijkertijd wist hij het niet. Het ging zijn verstand te boven.

Nog in 1942 werd hij bij zijn broer Edu (advocaat) geroepen, die al ondergedoken zat op de Keizersgracht. Een Duitser die ontkomen was uit een concentratiekamp kwam daar in het grootste geheim vertellen wat er gebeurde:

„Hij vertelde dat ze de Joden vergasten in vrachtwagens, waar ze de uitlaatgassen in de laadruimte lieten uitkomen. Ik geloofde dat toen niet natuurlijk. Ik dacht: ach, zo’n communist… We hadden van de Kristallnacht gehoord en ook wel van concentratiekampen en we wisten dat de Joden een extra beroerde tijd tegemoet gingen, maar dat we zouden worden uitgemoord...”, zei hij in 1984 in een interview met Koos van Zomeren.

Wie het wilde weten, kon het weten is wat mij betreft te simpel gesteld. Wie het wist, kon het niet geloven doet meer recht aan het onvermogen van mensen zich voor te stellen wat onvoorstelbaar is.

Saskia Reuling

Amsterdam

Tegen zulke trainingen kun je als school niet op

Scholierenorganisatie LAKS en de VO-raad maken zich zorgen over de snel groeiende markt van extra training kort voor het eindexamen (NRC Handelsblad, 10 mei). Hun conclusie is dat scholen hun leerlingen dus niet goed kunnen voorbereiden op het eindexamen.

Als docent Nederlands op een Amsterdamse school voel ik me natuurlijk aangesproken. Ook leerlingen uit mijn 6 vwo-klas volgen de bekende examentrainingen die in het artikel worden besproken. Een van de laatste maandagen voor de meivakantie vertelde een van mijn leerlingen dat ze het weekend daarvoor een examentraining Nederlands had gevolgd.

Natuurlijk vroeg ik haar naar haar ervaring. Ook zij was heel enthousiast en had het gevoel er veel van geleerd te hebben. Toen ik haar vroeg hoe de training er precies had uitgezien, vertelde ze me dat ze eigenlijk precies hetzelfde te horen had gekregen als wat ze het afgelopen jaar van mij had geleerd. Maar het feit dat je er twee hele dagen fulltime mee bezig bent en dat je daar zit zonder mensen die je kent, maakt een dergelijke training uiteindelijk toch zo effectief.

Ik geloof zeker dat de meeste scholen hun leerlingen goed kunnen voorbereiden op hun eindexamen, maar tegen deze voordelen van de examentrainingen kunnen wij als docenten in het reguliere onderwijs niet op!

Mirjam Campo

Docent Nederlands, Amsterdam

Toelaten vluchtelingen Syrië is goed nabuurschap

De Syrische bevolking zit als ratten in de val. Maar vluchtelingen uit Syrië naar Europa halen? Nee, vooral niet doen, betoogt Peter van Krieken (NRC Handelsblad, 4 mei). De belangrijkste reden? Dan „zitten we eraan vast”. In goede koopmanstraditie vraagt Van Krieken zich af of vluchtelingen wel ‘nuttig’ zijn. Nee, Syrische vrouwen, kinderen, bejaarden en gehandicapten hebben helaas geen rendement. De vraag moet natuurlijk zijn: hoe kunnen we mensen in nood het beste helpen? Van Krieken doet de koektrommel na een koekje dicht. Ter vergelijking: toen 1,5 miljoen Irakezen een paar jaar geleden naar Syrië trokken, werden ze allemaal zondermeer opgenomen en verzorgd. De Nederlandse kruideniersmentaliteit en de Syrische gastvrijheid. De kern van een groot cultureel verschil tussen Syrië en Nederland.

In tijden van crisis denkt iedereen noodgedwongen meer aan zichzelf. Wat zich wreekt is dat Nederland geen goede langetermijnstrategie heeft voor de Arabische wereld. De Adviescommissie Internationale Vraagstukken (AIV) adviseert onze regering om zich actiever op te stellen in het Midden-Oosten, ja, zelfs een voortrekkersrol te spelen binnen Europa. Wij pleiten voor eerherstel van het huwelijk tussen de koopman en de dominee. De 20 miljoen Syriërs en de naar schatting 280 miljoen andere Arabieren zijn nauwelijks opgenomen in het Europese economische model. Toelating van Syrische vluchtelingen is verantwoord nabuurschap.

Tineke Bennema

Esseline van de Sande

Meer variabel belonen

Over het beloningsonderzoek (NRC Handelsblad, 11 mei) het volgende: een verrassende uitkomst is de populariteit van variabele beloning. Werknemers vinden 82 procent vaste en 18 procent variabele beloning een optimale verhouding. Dat komt neer op bijna drie maandsalarissen aan variabele beloning. Er zijn in Nederland weinig werknemers met zo’n stevige variabele component.

De wens om meer variabel beloond te worden wordt niet enthousiast ontvangen door de leider van het beloningsonderzoek, Xavier Baeten. Volgens hem zouden bedrijven zich juist meer moeten richten op niet-financiële beloningen.

Het is geen toeval dat sommige werknemers meer variabele beloning krijgen dan anderen. Het is niet uitgesloten dat variabele beloning vooral wordt gebruikt als de motivatie van werknemers laag is. In de data zien we vervolgens weinig, of misschien zelfs een negatief verband tussen motivatie en variabele beloning. Maar dit zegt niets over het effect van variabele beloning. In een land waar maar weinig variatie is in variabele beloning, kun je niet verwachten dat het veel verklaringskracht heeft. Maar dat betekent niet dat het weinig effect heeft.

De kop boven het artikel (Extra geld kan vuur zelfs doven) dekt de lading dan ook allerminst. Als het onderzoek iets laat zien, dan is het dat werknemers wel voelen voor een beetje meer ‘variabel’.

Prof.dr. Robert Dur

Hoogleraar economie EUR