Vandalisten

Ik zat in de tram toen Ajax net gewonnen had, wat aanvankelijk een beetje eng was, want het was allemaal met veel springen en veel roepen: „En wie niet springt die is geen jood.” Maar al snel merkte ik: dit zijn eigenlijk doorgeschoten pubers (zo roken ze ook nog). De tramconducteur riep olijk: „Volgende halte Coolsingel!” En de stemming zat erin.

Voetbalsupporters roepen ook weleens ‘Wij zijn vandalisten’. Dat woord bestaat nog niet zo heel lang. Vroeger heette iemand die graag aan zinloze vernielingen deed een vandaal. Dat komt door de Vandalen, een Oost-Germaans volk dat in de vijfde eeuw Rome heel vakkundig heeft geplunderd. Zo vakkundig, dat we het er vijftien eeuwen later nog over hebben.

Van dat woord ‘vandaal’ werd ‘vandalisme’ gemaakt. Na een tijdje hadden mensen het liever over het vandalisme dan over de vandaal. ‘Vandaal’ werd een beetje vergeten, en toen leek het of vandalisme van ‘vandalist’ kwam. Zoals het realisme bevolkt wordt door realisten en niet door realen, zoals het socialisme gepropageerd wordt door socialisten die niet per se sociaal hoeven te zijn, zo zou het vandalisme wel van de vandalisten zijn.

En eigenlijk klinkt het ook lekkerder. Zodra iets met een ‘isme’ te maken heeft, is het waarschijnlijk wel bestudeerd door de sociale psychologie en moet je het dus heel erg serieus nemen (en voeg hier in gedachten veel ironische bewegingen van de wenkbrauw in).

Op een bepaald moment is naast ‘vandaal’ ook ‘vandalist’ opgenomen in het woordenboek. Dat kun je raar vinden, een soort taalvandalisme zelfs. Aan de andere kant, hadden we anders verwacht van een instelling die zichzelf Van Dale noemt?

Overigens is het gevoel dat je bij vandaal krijgt wel wat anders dan bij vandalist. Op een dichtgetimmerd pand in Arnhem staat met grote letters: ‘HIER WOONT IEMAND GODVERDOMME! LAAT MIJ MET RUST VANDALISTEN EN INBREKERS!’ Had hier ‘vandaal’ gestaan, dan denk ik dat er in het huis een klein vervuild mannetje van tachtig had gewoond. Nu denk ik meer aan een kraker op leeftijd.

Op deze plek schrijft Paulien Cornelisse schrijft elke week een column over taal.