Mekka voor Fitzgeraldbewonderaars

Schrijfster Pia de Jong is met haar gezin verhuisd van Amsterdam naar Princeton, in de VS. Ze schrijft wekelijks over wat haar daar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Zo ziet een meesterwerk er dus uit: potloodletters op groezelig kladblokpapier vol krassen en doorhalingen. Terwijl de wereld gebombardeerd wordt met de digitale 3D-Hollywoodversie van The Great Gatsby, sta ik oog in oog met het originele manuscript van F. Scott Fitzgerald. Hier geen Leonardo DiCaprio, Tiffany & Co, Brooks Brothers of andere commercie, maar de worsteling van een auteur die het succes van zijn werk niet zou meemaken.

De bebrilde curator van zeldzame manuscriptenin de Firestone-bibliotheek, een enorm gebouw in de vorm van een gotische kerk op de campus van de universiteit van Princeton, was me voorgegaan naar de catacomben waar alle originele manuscripten van Fitzgerald liggen. Met lichte tegenzin, want ik ben niet de eerste die langskomt dezer dagen.

Princeton is het mekka voor bewonderaars van Fitzgerald. Hier ging de eenvoudige katholieke jongen uit de Midwest in de jaren twintig studeren. Dat hij in deze elitaire kringen, vol glitter en glamour, geaccepteerd werd, zelfs als lid van de ultra-exclusieve sociëteit de Cottage Club, betekende alles voor hem. Hij dacht de sleutel in handen te hebben voor een geslaagd leven.

Maar datzelfde Princeton confronteerde hem juist met het standsverschil. Zo kon hij zich het verwende, rijkeluismeisje Zelda, op wie hij tot over zijn oren verliefd was, niet permitteren. Uiteindelijk maakte hij zijn studie niet af, dronk veel te veel, en stierf op zijn vierenveertigste.

Maar niet voordat hij The Great Gatsby schreef, de iconische roman over de Amerikaanse droom waarvan de oerversie me nu aanstaart. Het dunne papier zit vol vlekken. Van whisky, stel ik me voor. As, vult de curator aan. Fitzgerald was niet alleen een alcoholist, ook een kettingroker.

Traag laat mijn gastheer een 3D-brilletje door zijn gemanicuurde handen gaan. De hele cast heeft de voorvertoning hier op de bank van zijn bunker bekeken. „Wat vindt u van de film?”, vraag ik. Hij zwijgt. Het kost hem duidelijk moeite eerlijk te zijn.

The Great Gatsby is een mislukte roman over een mislukt leven door een mislukt auteur”, begint hij. „En wat maakt Hollywood ervan? Een succesverhaal dat de glamour verheerlijkt en de zwarte kant weglaat. De toevoeging great in The Great Gatsby was juist ironisch bedoeld.”

„Lees dit maar eens”, zegt hij. Het is de correspondentie tussen Fitzgerald en zijn redacteur over de titel van de roman. Fitzgerald maakte titellijstjes, zoals aanstaande ouders doen met babynamen. Under the Red, White and Blue, Gold-Hatted Gatsby, The High-Bouncing Lover, Among the Ash Heaps and Millionairs, Trimalcio in West Egg. En jawel, daar zie ik ook TheGreat Gatsby onderaan het lijstje staan. Deze laatste titel, schrijft zijn uitgever, heeft de voorkeur. Fitzgerald is het er niet mee eens. Gatsby, de man die extravagante feesten gaf waar iedereen kwam, en die zelf ondertussen in de bibliotheek boeken las, was niet Great. Dan, eindelijk neemt hij de beslissing. Het wordt Under the Red, White and Blue. Het antwoordtelegram van zijn uitgever luidt: Te laat. Stop. Manuscript reeds gedrukt.

De curator lacht. En wat een titel! Alles met betrekking tot Fitzgerald heeft twee kanten. De man die een haat-liefderelatie had met de Amerikaanse droom, met al zijn glamour, stierf straatarm en gedesillusioneerd. Hij beproefde zijn geluk tevergeefs in Hollywood, en kijk nu wat er gebeurt. Tijdens zijn leven werden er 20.000 exemplaren van de roman gedrukt, waarvan er toen hij stierf stapels onverkocht in de kelder lagen. Nu worden er elk jaar 500.000 Gatsby’s verkocht.

Het manuscript mag blijven liggen, daar gaat hij zelf straks nog in lezen, zegt de curator terwijl hij me uitgeleide doet. Het 3D-brilletje ondertussen belandt met een boogje in de prullenbak.