Iedereen wil de Noordpool gebruiken

Nu de Noordpool in hoog tempo smelt, eisen steeds meer landen toegang tot het gebied. Niet om het te beschermen, maar om grondstoffen te winnen.

Het is al een paar jaar dringen aan de poort van de Arctische Raad. Morgen komen de leden weer bijeen voor hun tweejaarlijkse vergadering. Dan buigen ze zich onder andere over verzoeken van China, de Europese Unie en een paar andere landen en organisaties om toegelaten te worden als waarnemers van de Raad.

Dat is opmerkelijk, want bij zijn oprichting in 1996 was de Arctische Raad een onbeduidende vergaderclub, waarin Zweden, Noorwegen, Finland, Rusland, Canada, de VS, Denemarken (via Groenland), IJsland, Rusland en vertegenwoordigers van inheemse bevolkingsgroepen lopende zaken regelden over een voornamelijk onherbergzaam gebied.

Maar door een veranderend klimaat smelt het ijs rond de Noordpool in hoog tempo. De temperatuur in het gebied stijgt sneller dan gemiddeld. Aan het eind van de vorige zomer was het ijsoppervlak nog maar 3,4 miljoen vierkante kilometer, in 1979 was dat nog bijna het dubbele. Bovendien wordt het oppervlak niet alleen kleiner, ook de dikte van het ijs neemt snel af, waardoor het smelten alleen nog maar verder wordt versneld. De verwachting is dat binnen een paar decennia het Arctische gebied in de zomer ijsvrij is.

In plaats van zich zorgen te maken over de mogelijke gevolgen van die snelle opwarming – zoals veel wetenschappers doen – zijn politici intussen vooral geïnteresseerd geraakt in de kansen. Ze willen voorkomen dat ze aan de zijlijn staan als straks de zeeroutes vrijkomen en als de grote hoeveelheden gas, olie en aardmetalen worden ontgonnen die zich vermoedelijk in de bodem bevinden.

De afgelopen zeven jaar werd de Raad voorgezeten door Scandinavische landen. Zij richtten zich vooral op bescherming van het gebied. Canada, dat morgen het voorzitterschap overneemt, heeft laten weten meer aandacht te willen voor ontwikkeling en voor samenwerking met het bedrijvensleven. De lokale bevolking wil banen, investeringen en geld verdienen aan mijnbouw. Of, zoals de IJslandse president Olafur Ragnar Grimsson vorige maand zei: „Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid om een dialoog op gang te brengen tussen de mensen die in het Arctische gebied leven en degenen die het gebied willen gebruiken.”

China is al jaren aan het lobbyen om als waarnemer toegelaten te worden tot de Arctische Raad. Het land heeft stevige banden aangeknoopt met IJsland, een nieuwe ambassade geopend in Reykjavik die ruimte biedt aan 500 man personeel (op de Amerikaanse ambassade werken 70 mensen) en grond geleast voor een onderzoekscentrum. Onderhandelingen over een groot Chinees vakantiepark in het noorden van IJsland lopen nog. Oud-premier Wen Jiabao wachtte vorig jaar de splinternieuwe Chinese ijsbreker Sneeuwdraak op, toen die via de noordelijke route vanuit Shanghai in de haven van Reykjavik aankwam.

Ook de Europese Unie wil graag toegelaten worden. Maar vooral inheemse volken in Canada verzetten zich daartegen. Europa is in ongenade gevallen na het verbod in 2010 op de invoer van zeehondenbont. De Canadese minister voor het Arctische gebied Leona Aglukkaq wees erop dat een van de eisen voor toelating is: ‘respect voor de waarden, belangen, cultuur en tradities van de inheemse bevolking’.

Morgen zullen de lidstaten besluiten welke landen en organisaties (behalve China en de EU zijn ook bijvoorbeeld Zuid-Korea, Singapore, India, Japan, de Wereld Meteorologische Organisatie en Greenpeace geïnteresseerd) welkom zijn als waarnemer. De verwachting is dat ze tamelijk gul zullen zijn. Ze hebben geen keuze, vindt de Noorse minister van Buitenlandse Zaken Espen Barth Eide. Anders zullen landen hun eigen Arctische organisatie oprichten.

De vraag is of er intussen genoeg wordt nagedacht over de risico’s van de ontginning van het gebied. De Arctische Raad tekent morgen een verdrag over hoe te reageren op een eventuele olievervuiling. Het probleem is alleen, aldus het Noorse bedrijf Det Norske Veritas, dat risicoanalyses maakt in het gebied, dat de technologie nog geen adequaat antwoord heeft op een olielek in het gebied.