Hollands glorie in wetenschap...

De expositie Constantijn & Christiaan Huygens, een gouden erfenis in de Grote Kerk Den Haag gaat over een vader en zoon die samen de staatsmacht, kunst en wetenschap van de Gouden Eeuw symboliseren. Constantijn Huygens (1596-1687) vormt met Hooft en Vondel de top van de Nederlandse literatuur uit de zeventiende eeuw. Huygens was ook architect, musicus en kenner van de schilderkunst. Hij was ook een belangrijk staatsman die alle Europese hoven bezocht en onderhandelde over de toekomst van de Nederlanden.

Christiaan Huygens (1629-1695) is vooral bekend door zijn uitvinding van het slingeruurwerk, zijn theorie over de voortplanting van het licht en zijn ontdekking van het Saturnusmaantje Titan. Maar duizendpoot Christiaan heeft veel meer uitvindingen op zijn naam waarvoor hij, vooral in het buitenland, nog steeds wordt geroemd. Voor het grote publiek bleven beiden tamelijk onbekend – pas enkele jaren geleden werd hun graf gevonden in de Grote Kerk Den Haag.

Knikkerbaan om de cycloïdevorm te illustreren waarmee Christiaan Huygens zijn slingerklokken nauwkeuriger liet lopen. Foto Rien Zilvold

Er zijn pleinen en straten naar hem vernoemd. En sinds de verbouwing is Christiaan Huygens ook terug in het Rijksmuseum. Tussen meetinstrumenten staat hij op de muurschildering in de Voorhal, waar Georg Sturm hoogtepunten uit de vaderlandse geschiedenis vastlegde. Maar bij het brede publiek is Christiaan Huygens een wazige figuur gebleven.

Niet bij Vincent Icke, hoogleraar astrofysica in Leiden, die „altijd al gegrepen” was door deze 17de-eeuwse natuurwetenschapper. Met conceptontwikkelaar Charlotte Lemmens, zijn partner, bereidde hij twee jaar lang het ‘Christiaangedeelte’ van de Huygenstentoonstelling voor. Nu lopen ze er rond.

Drie weken geleden werd de Huygenstentoonstelling geopend door, toen nog, koningin Beatrix. Geen toeval, want de geschiedenis van de Huygensfamilie is nauw verbonden met die van de Oranjes. Constantijn sr. was secretaris van drie prinsen van Oranje: Frederik Hendrik, Willem II en Willem III. En mede dankzij diplomatieke inspanningen van zoons Constantijn jr. en Christiaan Huygens belandde Willem III in 1689 met koningin Mary op de Engelse troon.

Maar Willem III liet Christiaan daarna niet als ‘hofwetenschapper’ naar Engeland komen, verwoede bemiddelingspogingen van de broers ten spijt. Ontzettend jammer, vinden ze. Icke: „Stel je voor wat er gebeurd zou zijn als de grote Huygens en zijn tijdgenoot, de natuurkundige Isaac Newton [1643-1727], daar hadden samengewerkt!” Al snel ruzie? Icke, beslist: „Nee. Newton was nukkig en Huygens wisselvallig, maar ze hebben zich altijd lovend over elkaar uitgelaten.”

Christiaan werd vooral in Frankrijk beroemd. Daar had koning Lodewijk XIV hem in 1666 tegen een vorstelijk salaris benoemd tot eerste voorzitter van de nieuwe Académie Royale des sciences.

Christiaan werd, vooral door zijn vader, sinds zijn vijftiende al ‘de nieuwe Archimedes’ genoemd. De speelse tentoonstelling laat zien waarom. Zo ligt er de zelf gebouwde kijker waarmee Huygens bij reuzenplaneet Saturnus het maantje Titan ontdekte. Er staan grote toverlantaarns. Schommels en ‘knikkerbanen’ illustreren de baan van een cycloïde – de wiskundige vorm waarmee Huygens zijn slingerklokken in de pas liet lopen. En Icke ontwierp een vloer die het principe toont waarmee volgens Huygens licht zich voortplantte. Huygens beschreef het in 1690 in zijn Traité de la Lumière.

Huygens was, kortom, een duizendpoot. Hij bedacht meetkundige bewijzen voor wiskundige problemen, maar ontwierp ook een koets met vering, maakte een destilleerapparaat dat op VOC-schepen voor schoon water zorgde en zo verder...

Is hij mede daardoor in de vergetelheid geraakt? Doordat hij zijn aandacht versnipperde? „Misschien”, zegt Lemmens. „In Italië wordt alleskunner Leonardo da Vinci bewonderd, maar Nederlanders houden niet zo van veelzijdigheid.” En ja, dat Huygens geen leidinggevende kwaliteiten had en collega’s intimideerde met zijn intellect, speelt vast mee. Hij had geen leerlingen die zijn werk voortzetten en verspreidden. Maar zwaarwegender is, denkt Icke, dat Huygens nog werkte met meetkunde. Het concept van ‘infinitesimalen’, het opbreken van wiskundige krommes in steeds kleinere stukjes, had hij wel in zijn hoofd, maar het waren Gottfried Leibniz (1646-1716) en Newton die daaruit aan het einde van de 17e eeuw de differentiaal- en integraalrekening ontwikkelden. Zo populair werd die nieuwe wiskunde, dat mensen de meetkundige taal van Huygens al snel niet meer verstonden.

En écht doorslaggevend is misschien dat Huygens twijfelde en relativeerde, zegt Icke. „Huygens was de eerste die durfde te stellen dat beweging altijd relatief is – en niet, zoals Galileo Galilei nog dacht, meestal. Bovendien zag Huygens natuurkundige theorieën slechts als tijdelijke, onvolledige beschrijvingen van de werkelijkheid. Groots en moedig vind ik dat, maar de meeste mensen houden meer van stelligheid. Alleen al daarom hebben ze meer achting voor Newton, die natuurwetten poneerde.”

Vincent Icke: De principes van Huygens, Historische Uitgeverij Groningen, 148 blz., 25 euro.