Zwaar aan de coke? Snuif de sfeer in Japan

Duidelijker labels op de frisdranken over hoeveel calorieën erin zitten, de promotie van caloriearme varianten en geen reclames gericht op kinderen onder de 12: Coca-Cola, zo bleek vorige week, begint aan een offensief om de kritiek af te weren dat frisdrank bijdraagt aan de explosie van zwaarlijvigheid in de westerse landen. Die kritiek kan leiden tot extra belastingen op frisdrank, zoals in Frankrijk, of een – onlangs ternauwernood voorkomen – beperking op grote porties in de staat New York.

Naarmate meer landen opschuiven in de vaart der volkeren – denk aan China en India – wordt verwacht dat zwaarlijvigheid ook daar toeneemt. Maar is welvaart de enige verklaring? Obesitas is in het Westen gelijk opgegaan met het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking. Dat impliceert een causaal verband, maar is dat wel zo sterk? Tijdens een korte vakantie naar Tokio viel op dat dikke mensen daar een grote uitzondering zijn in het straatbeeld. En Japan is nu niet direct armlastig. Hetzelfde geldt overigens voor de Koreaanse hoofdstad Seoul.

Illustratief voor de ‘welvaartsverklaring’ van obesitas is dat de OESO, de club van rijke industrielanden, er data over bijhoudt. De maatstaf is hier het percentage van de bevolking met een body mass index (BMI) van 30 of meer – de gangbare definitie van obesitas. Deze data zijn niet compleet: ze bestaan soms uit officiële metingen en soms uit ‘self reported’ data, waarbij respondenten zelf opgave hebben gedaan. Het hoeft niet te verbazen dat de officiële metingen veel hoger uitkomen.

Met een beetje hangen en wurgen zijn de cijfers voor alle OESO-landen wel te normaliseren. En dan wordt de vraag in hoeverre ze samenhangen met het welvaartspeil. Daarvoor nemen we het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking. Tegen koopkrachtpariteit, want het gaat er tenslotte om hoeveel je met je geld kunt doen. Het resultaat: er lijkt onder de OESO-landen geen enkele samenhang te bestaan tussen het welvaartspeil en de mate van obesitas (een r-kwadraat van 0,02 voor de liefhebbers). Deze methode is ongewogen en hooguit indicatief, maar het moet vreemd lopen als een officieel onderzoek een sterke samenhang zou aantreffen.

Ga maar na: in de VS, kampioen obesitas, heeft volgens eigen opgave 28,1 procent van de bevolking een BMI van 30 of meer. Volgens de officiële metingen is dat 35,9 procent. Nederland heeft een (self-reported) percentage van 11,4 – ver onder het OESO-gemiddelde van 15 procent in of rond 2010.

Japan zit op 3,5 (officiële meting) en Korea op 2 (self-reported). Rijk en dun dus. Mexico en Chili zijn relatief arm en dik. Een vergelijking tussen obesitas en de inkomensverdeling levert een iets hoger resultaat op: hoe groter de kloof , hoe meer zwaarlijvigheid, maar ook hier is de relatie zwak.

Hangt obesitas wellicht meer samen met cultuur? In de Japanse hoofdstad wemelt het van de frisdrankautomaten. Daar zit vaak wel wat frisdrank in, maar het leeuwendeel van het aanbod betreft een oneindige variatie aan koude, meest ongezoete thee. Daar moet een mens, zacht gezegd, een beetje moeite voor doen.

Je kunt, kortom, de aanbodszijde wel aanpakken bij het beleid tegen zwaarlijvigheid – maar uiteindelijk gaat het toch om de vraagkant, om de cultuur. De Coca-Cola’s van deze wereld zijn misschien deel van het zwaarteprobleem, maar zeker niet het enige.

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.