Zij beschreef voor het eerst wat deftig is, en wat niet

Ze zei zelf dat ze het schreef als „grapje”. Maar haar boek over hoe het heurt volgens de adel, groeide uit tot een standaardwerk.

Pauw van Wieldrecht in 2011

Agnies Pauw van Wieldrecht, geboren in 1927 en vorige week in Doetinchem overleden, werd bekend door haar boek Het dialect van de adel. De titel werd een begrip; het was een voorbode van de opkomende belangstelling voor standsverschil en distinctie in Nederland. Sinds het verscheen wordt zo nu en dan, gniffelend of in ernst, gedebatteerd over het verschil tussen ‘taartje’ en ‘gebakje’, en de vraag of men nu wel of niet ‘smakelijk eten’ zegt.

Jonkvrouw Agnies Pauw van Wieldrecht was de vierde en jongste dochter van Reinier ridder Pauw van Wieldrecht, kamerheer van koningin Wilhelmina. Haar vader was de laatste mannelijke telg van een Westfries geslacht dat in de 17de eeuw al Engelse en Franse adelsbrieven had verkregen, en in 1847 in de Nederlandse adelstand werd verheven.

Haar jeugd in Den Haag werd getekend door het verlies van haar moeder, die kort na haar geboorte stierf. In 1939 overleed ook haar vader, en in de Tweede Wereldoorlog werd haar oudste zusje Jeanne, die koeriersdiensten voor het verzet deed, doodgeschoten. Agnies ging na haar eindexamen in de verpleging en was naar eigen zeggen ‘een halve diacones’ toen zij in 1951 trouwde met jonkheer mr. J.A. Beelaerts van Blokland (1924-2007).

Beelaerts van Blokland werd diplomaat, zij diplomatenvrouw, een rol die haar niet altijd meeviel. Toch kon zij later onderhoudend vertellen over haar ervaringen: bijvoorbeeld hoe zij op hun eerste post, Lissabon, gecoacht werd door de echtgenote van de ambassadeur. „Mijn Frans was slecht, gewoon schoolfrans, dat was een geweldige handicap... mevrouw Van Kleffens kon mij opbellen en zeggen dat ik ’s middags thee moest schenken omdat zij vier dames op bezoek had. En dan deed het er niet toe of ik andere afspraken had.”

Het echtpaar kreeg drie kinderen. Na vele posten, van Warschau tot Koeweit, besloot Beelaerts zijn loopbaan als ambassadeur bij de Heilige Stoel in Rome. Daarna vestigden zij zich op het schilderachtige kasteeltje De Kemnade bij Doetinchem, dat ze in 1955 hadden gekocht.

Het lange verblijf in het buitenland had Pauw van Wieldrechts belangstelling versterkt voor veranderingen in de Nederlandse taal. Haar eerste boek, Het dialect van de adel, wekt associaties met het befaamde U and Non-U van de schrijfster (en aristocrate) Nancy Mitford, dat in Engeland in 1956 nogal wat stof had doen opwaaien. Nadat het eerder bij een kleine Utrechtse uitgeverij was verschenen, werd het in 1991 opnieuw gepubliceerd door uitgever Thomas Rap, zelf altijd gefascineerd door wat deftig was en wat niet. Toen werd het een kleine bestseller in de betere kringen. Er volgden nog twee deeltjes, met even sterke titels: Grootmama, mogen wij kluiven? (over opvoeding) en Vin-je dat we een hoed op moeten? (over etiquette).

In alle drie, later gebundeld tot één boek, putte de schrijfster uit haar jeugdherinneringen, vooral die aan de zomers op het grootouderlijke kasteel Broekhuizen bij Leersum. Zij schetst een idyllische wereld vol kinderjuffrouwen en chauffeurs. Haar oor voor taal, voor nuances en conventies in woordgebruik is scherp.

In haar eigen omgeving werd ‘Het dialect’ niet door iedereen op prijs gesteld: zij klapte uit de school. Maar de schrijfster hield wel van een beetje provoceren. „Ik beschouwde het als een grapje”, zei ze ooit.

Die luchtige opvatting van haar werk bleef, ook toen Het dialect van de adel geleidelijk werd gezien als een standaardwerk. Haar streven om, als in een museumvitrine, iets te bewaren van de eigenaardigheden van het milieu en het vervlogen tijdperk waarin zij was opgegroeid, was geslaagd. In 1994 verscheen nog Borduursels buiten het stramien, met herinneringen aan haar bestaan als diplomatenvrouw.

Zij was een vraagbaak voor wie belangstelling had voor het aristocratische leven van weleer: altijd bereid om stellige antwoorden te geven, of desnoods geïnteresseerd te gaan speculeren.

Om te beginnen klonk het steevast, met haar heldere damesstem: ‘Kind, het is voorbij.’ Toch was Agnies Pauw van Wieldrecht zelf het sprekende bewijs dat die verzuchting met een korreltje zout mocht worden genomen.