Van Zweden is klankfetisjist die strak en statig orde houdt

Als invaller voor dirigent Mariss Jansons debuteerde Jaap van Zweden gisteren in het Concertgebouw voor de Berliner Philharmoniker.

Enigszins zorgelijk is het wel. Op advies van zijn cardiologen moest Mariss Jansons (70), chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest, zijn concerten met de Berliner Philharmoniker afgelopen week annuleren. Het was de zoveelste onwelkome afzegging voor en door Jansons, die ongaarne op halve kracht functioneert. Zijn concerten met het orkest van de Bayerische Rundfunk lijken in juni dan ook weer gewoon door te gaan, net als zijn tournee met het Concertgebouworkest naar Zuid-Amerika. En vooralsnog geldt hetzelfde voor het zwaarste onderdeel van de wereldtournee van het jarige orkest: de maand durende novemberreis naar Rusland, Azië en Australië.

Jansons afzegging was goed nieuws voor de bij de Berliner debuterende Jaap van Zweden, die onverstoorbaar zijn internationale opmars maakt. De komende tijd wachten onder meer een maand met het Chicago Symphony, twee weken met het New York Philharmonic en gastdirecties voor talrijke grote orkesten (Philadelphia, Cleveland, LSO, Orchestre de Paris, Scala, Israel Philharmonic, Chamber Orchestra of Europe). Dan hebben we de Duitse en Nederlandse orkesten en Van Zwedens vaste orkesten in Dallas en Hongkong nog niet genoemd. Het wachten is op de Wiener Philharmoniker en zijn nog altijd niet concreet gemaakte rentree bij het Concertgebouworkest.

Van Zwedens kennismaking met de Berliner begon met drie concerten op dier thuisbasis, waarvan het laatste live werd getoond in de ‘Digital Concerthall’ en daar in het beeldarchief binnenkort terug is te zien.

In het Concertgebouw, zíjn thuisgrond, stond Van Zweden gister ontspannener voor het orkest. Het predicaat ‘tuchtmeester’ dat een Duits criticus verzon, zong nog wel na in het Concert voor orkest van Bartók.

Van Zweden liet weinig over aan het toeval; zelfs de ‘ontsporende’ passage in het Intermezzo interrotto bleef streng georganiseerd. Datzelfde gold voor de puntige balkanritmiek en de houtblazers in het Giuoco delle coppie: klinken die onder een dirigent als Iván Fischer swingend en semi-improvisatorisch, hier stond alles strak in het gelid.

Van Zwedens kracht lag vooral in het munten van de geweldige klankrijkdom van de Berliner. Als een hongerig klankfetisjist liet hij de sonoriteit van de strijkers – buikiger en onstuimiger bij het Concertgebouworkest – stralen. Alsof je je oor legde tegen het galmende torso van een neuriënde symfonische reus.

Ook de Eerste symfonie van Brahms bezat zulke momenten van betoverende, bloedverwarmende klankschoonheid, vooral in de elegische strijkersmelodieën. Die momenten sprongen er echter uit in een verder plechtstatige Brahms, die overall nogal fors en ouderwets aandeed.

De overigens onderling ook weer zeer verschillende Brahms-benaderingen van John Eliot Gardiner en Yannick Nezet-Seguin demonstreerden recent hoe cruciaal verticale helderheid (Gardiner) en inwendig spelen met tempo (Yannick) zijn.

Onder Van Zweden ontplooide Brahms zich op zwaarder schoeisel. Vooral in de Finale miste je doorzichtigheid. Aan het slot mocht het orkest voluit gaan en ontstond een klank die een verbaasde onderbuiklach deed opwellen; dat zo’n symfonische opulentie kan bestaan is op zich genoeg voor een goed humeur en de donderovatie waarmee het bijna volle Concertgebouw reageerde.

Een terzijde is dat Brahms eigenheid miste door gebrek aan dosering; onder agogisch lossere en dramatisch juist minder aansporende teugels had een toporkest als dit meer spanning en verrassing kunnen realiseren. Maar daarvoor hadden beide partijen meer tijd nodig gehad dan deze speeddate onder hoogspanning.

Berliner Philharmoniker/J. van Zweden. 12/5 Concertgebouw A’dam. ***