Precommunistisch verleden speelt op in Polen en Hongarije

Aan het allerrecentste verleden kan het niet liggen dat Hongarije en Polen momenteel binnen Europa diametraal tegenover elkaar staan. Beide landen zijn al negen jaar lid van de Europese Unie. Beide profiteren als netto-ontvangers van Europese fondsen. Beide worden geregeerd door partijen die zich conservatief noemen. Desondanks zoekt Hongarije onder leiding van premier Orban de confrontatie met de rechtstatelijke kernwaarden van de EU, terwijl het Polen van minister-president Tusk zich juist opwerpt als voorbeeldstaat.

Deze divergentie heeft veel te maken met hun complexe geschiedenis. Beide hebben in de negentiende en twintigste eeuw in meer of mindere mate nationale trauma’s opgelopen.

Polen verdween in 1795 als staat van de aardbodem, herwon zijn staatsvorm maar werd vervolgens weer verdeeld en bezet door Hitler-Duitsland en Stalin-Rusland. Waarna het aan de leiband van Moskou moest lopen.

Hongarije, dat zich in de negentiende eeuw een positie in het Habsburgse Rijk had verworven, verloor na de Eerste Wereldoorlog in 1920 met het Verdrag van Trianon tweederde van zijn grondgebied en een derde van zijn Hongaars sprekende bevolking. Anders dan Polen liep het amper te hoop tegen Hitler. Net als Polen verzette het zich in de Koude Oorlog wel in woord en daad tegen de Sovjets.

Beide landen worden, als oude Sovjetsatellieten, gemakshalve tot het Oostblok gerekend. Zo simpel was het echter niet. Hoe gelijkgeschakeld de volksrepublieken tussen 1945 en 1989 ook leken, Oost-Europa werd niet eenvormig. In haar studie IJzeren Gordijn. De inlijving van Oost-Europa, 1944-1956, waarin zij Polen, Hongarije en de DDR vergelijkt, toont de historica Anne Applebaum aan dat de pre-communistische geschiedenis een grotere rol speelde dan het in het westerse „prisma” lijkt. „In de loop der tijden gingen de landen van Oost-Europa minder op elkaar lijken. In de jaren tachtig was Oost-Duitsland dé politiestaat, had Polen het hoogste kerkbezoek en Hongarije de hoogste levensstandaard”.

Slechts in één opzicht leken ze op elkaar. De regimes „strompelden van crisis naar crisis”. schrijft Applebaum. Dissidenten vochten in woord en daad voor iets als ‘waarheid’. Maar in de publieke ruimte, die in ‘leugen’ leefde, werd waarheid vervangen door ‘macht’.

„Het is geen toeval”, aldus Applebaum, dat de succesvolste postcommunistische staten die landen zijn waar tijdens de Russische overheersing „bepaalde elementen van de burgermaatschappij overeind zijn gebleven”.

Twintig jaar geleden dachten velen in het Westen dat Hongarije dus de beste papieren had. Maar nu blijkt Polen de meest Europese natie. De sleutel voor een verklaring is niet de Koude Oorlog, maar de Eerste Wereldoorlog. Polen werd toen weer een natie. Hongarije verloor haar. Trots en trauma uit die tijd zijn nooit verdwenen en steken nu de kop op.

Hubert Smeets