Neoliberalisme-gerelateerde ziekten

Wat is de definitie van neoliberalisme? Die vraag kwam bij me op terwijl ik las in Mij een zorg!, een bundel over de sociale zekerheid die vandaag uitkomt. In de bijdragen van de SP, GroenLinks en de Partij voor de Dieren werd aangenomen dat we in een ‘neoliberale samenleving’ leven, en – verrassing! – dat dat een slechte ontwikkeling is.

Maar wat betekent ‘neoliberaal’ eigenlijk? Vooral progressieve auteurs gebruiken de term, maar ze definiëren hem zelden. Filosoof Hans Achterhuis schrijft in zijn De utopie van de vrije markt zelfs: ‘Het lijkt mij beter om neoliberalisme als een ‘vaag verzamelbegrip’ te blijven hanteren.’ En inderdaad: in zijn boek reikt het neoliberalisme van Ayn Rand tot Sarah Palin. Een vergelijkbaar vage invulling krijgt het begrip bij de Belgische psycholoog Paul Verhaeghe, die betoogt dat wij door de ‘economisering van de samenleving’ allemaal last krijgen van burn-outs, ADHD en andere neoliberalisme-gerelateerde ziekten.

Onder neoliberalisme kunnen wij alles verstaan wat ons niet bevalt aan de hedendaagse samenleving, als het maar in de verte te maken heeft met zaken als marktwerking, winst, een kleine overheid en eigen verantwoordelijkheid. De term verliest zo zijn bruikbaarheid – niemand kan toch volhouden dat wij in Nederland, met onze hoge collectieve uitgaven, leven in een ‘neoliberale samenleving’ zoals die extreme vrijemarktdenkers als Ayn Rand voor ogen stond.

Ook uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat ‘neoliberalisme’ een betwist begrip is. Twee Berkeley-politicologen onderzochten de manier waarop het woord in academische literatuur wordt gebruikt. Hun conclusie luidde ten eerste dat bijna niemand de term definieert, en ten tweede dat hij voornamelijk pejoratief wordt gebruikt. Dit laatste gebeurt zowel direct als indirect, door neoliberalisme in verband te brengen met andere negatieve begrippen.

De gebrekkige definiëring en het pejoratieve gebruik van het woord neoliberalisme zijn des te verwarrender omdat de term aanvankelijk een heel andere lading had. Hij werd in de vroege jaren 30 bedacht door de Duitse socioloog Alexander Rüstow, die een ‘Derde Weg’ zocht tussen socialisme en negentiende-eeuws klassiek liberalisme. Hij pleitte voor een markteconomie die werd ingebed in een stevige staat. In de jaren zeventig veranderde het begrip van betekenis: critici van het zich destijds ontwikkelende radicale vrijemarktdenken kaapten de term om hun tegenstanders mee aan te duiden. De aanhangers van een volledig vrije markt noemden zichzelf op hun beurt niet neoliberaal, maar ‘(klassiek) liberaal’ of ‘libertair’.

Neoliberalisme is een scheldwoord geworden. Wie het gebruikt, is er tegen. Dat is handig voor de auteur: hij kan een zogenaamd objectieve term gebruiken om bij de lezer negatieve associaties op te roepen. Voor sommige progressieve lezers is het ook prettig: zij voelen zich bevestigd in hun wereldbeeld. Maar het komt erop neer dat er een luie auteur aan het woord is die veronderstelt dat zijn lezers ook lui zijn.

Floor Rusman is redacteur van nrc.next. Elke maandag schrijft ze op deze plek over de actualiteit.