Hoge Raad kent de twee kanten van ieder oordeel

De Hoge Raad gaat anders dan eerder beweerd wel degelijk democratisch gelegitimeerd te werk, betoogt Peter Kop.

De Hoge Raad weet dat oordelen altijd hun positieve en hun negatieve kant hebben. Dat beseft de advocaat Willem Jebbink wellicht te weinig in zijn opiniestuk in NRC Handelsblad van 3 mei.

Jebbink suggereert in dat artikel een verwerpelijk formalistische houding van de Hoge Raad en zijn president en dicht dat college tevens een democratisch niet gelegitimeerde werkwijze toe. Eén misverstand moet echter direct worden opgeruimd. Waar Jebbink suggereert dat Corstens, de president van de Raad, de macht heeft zich met de beslissingen van de afzonderlijke rechters van de Hoge Raad te bemoeien vergist hij zich deerlijk. De president is niet zo’n soort chef. Rechters zijn hun eigen baas en zelf verantwoordelijk voor wat zij doen en beslissen. De president van een gerecht, ook van de Hoge Raad, kan, als hij weet krijgt van een beslissing waarmee hij het hartgrondig oneens is, slechts zwijgend en wellicht tandenknarsend toekijken dan wel aanhoren.

En terecht. Die president zat niet op die zaak, mag zich er derhalve niet mee bemoeien en moet de rechters de gelegenheid geven in volle zelfstandigheid en onafhankelijkheid hun werk te doen. En de rechters in de Hoge Raad doen dat op een democratisch volledig gelegitimeerde werkwijze. De wet verplicht de Hoge Raad niet in alle gevallen ambtshalve in te grijpen, dat wil zeggen te verbreken/casseren, waar een hof een fout(je) heeft gemaakt. Wat Jebbink daarover te berde brengt, is onjuist. Maar het is curieus om te constateren dat hij, om zijn betoog kracht bij te zetten, zijn collega’s in de advocatuur min of meer algemeen afkraakt: de Hoge Raad zou uitgaan van een misplaatst optimisme over het vermogen van de advocatuur.

Het zal je als lid van die beroepsgroep maar naar het hoofd geslingerd worden. De Hoge Raad gaat mijns inziens terecht uit van de gelijkwaardigheid van de professionele procesdeelnemers en stelt welhaast vanzelfsprekende eisen aan de kwaliteit van die deelnemers. En als het nodig is, kan en zal de Hoge Raad ingrijpen.

De door Jebbink in zijn betoog geïntroduceerde minkukel die zaken in de cassatieprocedure over het hoofd ziet zodat de beklagenswaardige verdachte jaren moet zitten voor iets wat hij niet heeft gedaan, wordt gecorrigeerd. Tenminste als de Hoge Raad de omissie opmerkt.

In het geval dat de woede van Jebbink heeft opgeroepen, heeft de Hoge Raad niet ingegrepen omdat de advocaat van de betrokken minderjarige in het geheel niet heeft geklaagd over een onjuiste veroordeling. De Raad grijpt in de gevallen waarin een raadsman over iets zwijgt slechts heel spaarzaam in, want – zo zegt de Raad – hij moet in beginsel ervan kunnen uitgaan dat misslagen in de bestreden uitspraak of fouten in de aan die uitspraak voorafgegane procedure zijn opgemerkt en dat het achterwege blijven van een daarop gerichte klacht berust op een weloverwogen keuze.

Dan ligt het bij een beperkte capaciteit en gelet op de noodzaak zaken binnen een aanvaardbare termijn af te doen ook voor de hand de behandeling in cassatie te concentreren op de door rechtsgeleerde tussenkomst, de advocaat dus, ingediende klachten. En in dit speciale geval heeft de Hoge Raad, de strafkamer, beslist niet in te grijpen.

Daarover is natuurlijk gediscussieerd tussen de betrokken rechters. Dat kan niet anders, en de uitkomst was: niet ambtshalve ingrijpen. Die beslissing is juridisch correct, zoals de tegenovergestelde beslissing ook juridisch correct zou zijn geweest.

Het was een keuze met voor beide standpunten valide argumenten. Als ik gok, zou ik zeggen dat de argumenten voor deze beslissing lagen in het hiervoor aangehaalde: spaarzaamheid van ingrijpen als geen klacht is ingediend. De strafrechtjurist weet dat het aangevallen arrest een voorbeeld is uit vele waarin niet ambtshalve wordt gecasseerd, omdat er hoe dan ook sprake is van een strafbaar feit. Jebbink vermeldt dit niet. Tegen de beslissing pleit dat dat strafbare feit geen misdrijf is maar een overtreding, en wel een overtreding begaan door een minderjarige. De Raad heeft voor niet-ingrijpen gekozen.

Daarmee kun je het eens dan wel oneens zijn, maar er is geen enkele rechtsregel geschonden en de Hoge Raad heeft geen greep naar een hem niet toekomende macht gedaan.

Mr. P.C. Kop is rechtshistoricus en was tot 1 januari 2010 raadsheer in de civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden.