Column

Het morele ongemak van niet ingrijpen in Syrië

Natuurlijk stonden er in Amerika meteen critici van Obama klaar om af te rekenen met het jongste diplomatieke initiatief van John Kerry: toch nog maar eens proberen om samen met Rusland via onderhandelingen naar een oplossing te zoeken voor de oorlog in Syrië.

Poetin zou hier alleen maar een teken van Amerikaanse zwakte in zien, was de kritiek. Hij zou heus zijn steun voor het bloedige regime van Assad niet opgeven. De Amerikanen zouden beter vaart kunnen maken met het bewapenen van de rebellen. De omvang van het humanitaire drama dat zich in Syrië voltrekt, zou uitstel van ingrijpen eigenlijk onacceptabel maken.

Maar het idee dat een oplossing voor Syrië zonder Rusland niet goed denkbaar is, valt niet af te doen als teken dat Obama slappe knieën heeft. Niemand minder dan Henry Kissinger, erelid van de harde realistische school in de Amerikaanse buitenlandse politiek, pleit er ook voor.

Obama moet overeenstemming met Rusland zoeken over de vraag hoe de strijd in Syrië via onderhandelingen beëindigd kan worden, zei Kissinger in januari op het World Economic Forum in Davos. Hij drukte de Amerikaanse regering op het hart zich niet in het conflict te mengen – anders „komt ze midden in een bitter etnisch conflict terecht”.

Nu is Kissinger, die in de regering-Nixon medeverantwoordelijk was voor de staatsgreep in Chili en de geheime bombardementen op Cambodja, zeker geen ideaal kompas voor buitenlands beleid. Maar dat deze veteraan van twee Republikeinse regeringen nu op één lijn zit met Obama is wel opmerkelijk.

Waarschijnlijk omdat hij eind deze maand zijn negentigste verjaardag hoopt te vieren, staat in het mei-nummer van het Amerikaanse blad The Atlantic een groot artikel over Kissinger van Robert Kaplan, die in Nederland onder meer bekend is van zijn boeken Moesson, De wraak van de geografie en Balkanschimmen. Kaplan verhult niet dat hij een bewonderaar is. „Ik ben al enige tijd een goede vriend van Henry Kissinger”, schrijft hij zelfs. Zijn stuk is niet minder dan een omvattende poging de reputatie van Kissinger, en zijn visie op buitenlandse politiek, in bescherming te nemen tegen de vele critici. De kop luidt ook: Ter verdediging van Henry Kissinger.

Wat mij betreft slaagt Kaplan niet in zijn opzet. In zijn drang alles wat Kissinger gedaan heeft te rechtvaardigen, raakt hij met zichzelf in de knoop. Zo zegt hij enerzijds dat Kissinger en Nixon in de Koude Oorlog terecht de „kille morele logica” hanteerden dat welk rechts regime dan ook voor Chili hoe dan ook beter was dan welk links regime dan ook. Maar anderzijds moet hij erkennen dat de prijs die daarvoor betaald werd – een militair regime dat duizenden onschuldige mensen heeft vermoord en tienduizenden gemarteld – „misschien intolerabel” was.

Wat het stuk desondanks boeiend maakt, is dat Kaplan in gaat op een moreel probleem dat niet altijd onderkend wordt, maar waar Obama bij Syrië nu ook op stuit. Wie het humanitaire drama ziet dat zich in Syrië voltrekt, kan als politiek leider bijna niet anders dan de morele druk voelen om daar tegen op te treden. Maar, aldus Kaplan, voor die „particuliere moraliteit is soms maar tragisch weinig ruimte” in brede strategische afwegingen – over hoe het de komende jaren en decennia verder moet in die regio bijvoorbeeld, wat de gevolgen zijn voor de machtbalans in de wereld, en of nu ingrijpen op den duur niet veel grotere ellende veroorzaakt. Dat kan dus betekenen: samen met Moskou kiezen voor een schijnbaar immorele oplossing waarbij een akkoord wordt gezocht met het Assad-regime dat zo’n genadeloze strijd tegen de eigen bevolking heeft gevoerd.

Het is alleen maar natuurlijk je ongemakkelijk te voelen over Kissinger, schrijft Kaplan. Hetzelfde geldt voor Obama en de keuzes die hij nu maakt. Maar de pleitbezorgers van snelle actie om de humanitaire ramp nú te stoppen, hebben niet per se het morele gelijk aan hun kant.