Democratie in Pakistan

De verkiezingen in Pakistan hebben de overlevingskunstenaar en staalbaron Nawaz Sharif een overwinning opgeleverd die hem voor de derde keer tot premier zal maken. Het was een democratisch spektakel, en dat in een land dat volgens sommigen steeds minder zou hechten aan een democratische staatsvorm. Het is voor het eerst dat een burgerregering na een volledige termijn van vijf jaar plaats maakt voor een nieuwe burgerregering, zonder militaire bemoeienis. Gewoonlijk gaat minder dan de helft van de Pakistanen stemmen; dit keer waren het er bijna twee op de drie. Aanslagen door islamitische fundamentalisten, met tientallen doden tot gevolg, konden niet verhinderen dat de verkiezingen over het algemeen ordelijk en hier en daar zelfs feestelijk verliepen.

De hoge opkomst was mede te danken aan het fenomeen Imran Khan, voormalig cricketheld en ooit aartsverlegen. Als politicus kwam hij nooit verder dan één zetel. Zijn charisma en zijn campagne tegen corruptie bleken dit keer een enorme aantrekkingskracht te hebben, met name op jongeren en de welvarende middenklasse.

De overwinning in Punjab, bastion van Sharif, liep Khan mis. Maar als oppositiepartij is zijn PTI nu een machtsfactor van betekenis, met zinnige economische voorstellen, zoals een belastinghervorming.

Als Sharif verstandig is, en zijn uitspraak dat hij ‘ouder en wijzer’ is waar maakt, luistert hij daar goed naar. Want Pakistan bevrijden van economische stagnatie en optreden tegen corruptie (waarvan de geur ook rond Sharif zelf hing) vormen zijn grootste uitdagingen.

Khans partij krijgt waarschijnlijk wel het bestuur in de cruciale provincie Khyber Pakhtunkhwa, aan de grens met Afghanistan, thuisland van de Pashtuns waartoe ook Khan behoort. Dat wordt meteen een kolossale test. Anti-Amerikaanse retoriek en zijn belofte om met de Talibaan te onderhandelen is één ding, maar als bestuurder is zijn partij een debutant.

Dat kan van Sharif (63) niet worden gezegd. Twee keer moest hij het veld ruimen als premier, de laatste keer na een militaire coup in 1999. Zijn relatie met de militairen, die feitelijk het defensiebeleid en de buitenlandse koers van Pakistan bepalen, blijft cruciaal. In zijn campagne beschuldigde hij het leger ervan ‘Amerika’s oorlog op Pakistaanse bodem’ uit te voeren, maar deze pragmaticus weet ook dat hij Amerika niet de rug moet toekeren.

Sharif heeft gezegd de relatie met aartsvijand (en mede-kernmacht) India te willen verbeteren. Daar moeten de militairen hem dan wel de speelruimte voor bieden. Maar het is van groot belang – ook vanwege de situatie in Afghanistan, waar India en Pakistan elk hun eigen belangen intensief nastreven in de aanloop naar het vertrek van de Amerikaanse troepen.