Zo groot was die cocaïnefabriek nou ook weer niet

In De handelsreiziger van de Nederlandsche Cocaïnefabriek schrijft Conny Braam dat in Amsterdam duizenden kilo’s cocaïne geproduceerd werden voor soldaten in de Eerste Wereldoorlog. Maar zo veel kon de fabriek helemaal niet maken, blijkt uit een proefschrift.

Schrijfster Conny Braam vertelt op 2 oktober 2009 bij Pauw & Witteman over de spectaculaire historische vondsten die zij heeft gedaan bij het onderzoek voor haar nieuwe roman De handelsreiziger van de Nederlandsche Cocaïnefabriek. Die fabriek, de NCF, was in 1900 in Amsterdam opgericht voor het produceren van cocaïne voor medicinale doeleinden, in die tijd als verdovingsmiddel gebruikt bij oogoperaties en door tandartsen. Maar in de Eerste Wereldoorlog had de NCF volgens Braam een veel lucratievere afzetmarkt ontdekt: grote hoeveelheden cocaïne leveren voor soldaten van de strijdende naties.

Van dat verbluffende nieuws willen Pauw & Witteman graag het fijne weten. Als binnenkomer toont het duo een foto van het Amsterdamse hoofdkwartier van de Hells Angels, die de jaren daarvoor zijn beschuldigd van cokehandel. Hun clubhuis bevindt zich precies op de plek waar de NCF tot eind jaren zestig stond, zegt Braam. Ze noemt het „een heel krankzinnig toeval” en een „opmerkelijk feit”, dat ze heeft ontdekt na een bezoek aan het kadaster en na rekenen en bestuderen van foto’s. De tafel, met daaraan ook Diederik Samsom en Frits Wester, gniffelt met Braam mee om dit hilarische gegeven.

Een week later bekijkt voormalig hoofd chemie van de NCF Hans Bosman een YouTube-filmpje van de uitzending in Australië, waar hij van 1977 tot zijn pensionering directeur was van een bedrijf in verdovende middelen voor medische toepassingen. Bosman (nu 82) is extra geïnteresseerd in het onderwerp omdat hij al enkele jaren promotieonderzoek doet naar de geschiedenis van de NCF. Hij weet als geen ander waar de NCF was gevestigd en dat was niet aan de Wenckebachweg 13, waar het clubhuis van de Angels in 2009 nog staat (in 2012 werd het gesloopt), maar aan de Duivendrechtsekade 67, een kilometer verderop. Bosman valt vervolgens van de ene verbazing in de andere bij het aanhoren van Braams verhaal. Hij beseft heel goed dat een romanschrijver grote vrijheid heeft bij het vertellen van een verhaal, maar Braam stelt nu juist dat haar roman is gebaseerd op „ware feiten”.

En van die zogenaamde feiten gelooft Bosman helemaal niets en nog minder als hij de roman heeft gelezen en diverse andere interviews waarin Braam haar „ware feiten” herhaalt en zelfs sterk aandikt. Bosman is verontwaardigd over de onwaarheden die Braam verspreidt. Hij vindt dat ze een vertekend en lasterlijk beeld van de Nederlandse cocaïne-industrie schetst, en de goede naam van de NCF, de Koloniale Bank (de oprichter van de fabriek) en hun employees volslagen ongegrond besmeurt. Hij aarzelt of hij de publiciteit zal zoeken, maar wil de resultaten van zijn eigen onderzoek niet openbaar maken voor de voltooiing van zijn proefschrift. Wel heeft hij contact met Eric Wils van Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog (SSEW), die de verhalen van Braam ook niet gelooft. Wils schrijft naar aanleiding daarvan in november 2009 een artikel op de SSEW-website, waarin hij vraagtekens zet bij Braams stellige beweringen. De schrijfster zal er nooit op reageren.

Waar komen de „ware feiten” van Braam samengevat op neer? Uit haar onderzoek in binnen- en buitenland zou zijn gebleken dat de NCF al in 1910 de grootste cocaïneleverancier ter wereld was. Toen ze erachter kwam dat de productie en de winst in de Eerste Wereldoorlog enorm stegen, vroeg ze zich af hoe dat mogelijk was. Daarna rees bij Braam de verdenking dat de legerleidingen van de oorlogvoerende naties op grote schaal cocaïne verstrekten aan hun eigen soldaten, om ze te veranderen in „de ideale moordmachine”, zoals ze het verwoordde in Het Parool.

Ze zou bewijs hebben gevonden dat de NCF grote hoeveelheden cocaïne voor Britse en Amerikaanse soldaten leverde via het Britse farmaceutische bedrijf Burroughs Wellcome, dat de cocaïne verwerkte in producten als Forced March, tabletten die de soldaten met een slok rum kregen toegediend. Bij Pauw & Witteman noemt Braam de leveranties een „vrij vreselijke ontdekking, een schaamtevol iets”. In de roman laat de schrijfster de NCF in 1917 twee partijen van 1.500 kilo verschepen naar Engeland, zodat Burroughs Wellcome kan voldoen aan de grote vraag naar cocaïne aan het front bij Ieper in België, waar die zomer 125.000 doden en gewonden vallen aan geallieerde en Duitse kant.

Die cocaïne is niet bedoeld ter verzachting van de pijn van de gewonden, maar om de soldaten om te toveren in strijders zonder angst die staan te trappelen om het front weer op te zoeken en de vijand een kopje kleiner te maken. Braam zet de NCF neer als een door en door cynisch bedrijf dat alleen denkt aan winst maken en er geen probleem mee heeft om tijdens de Derde Slag om Ieper ook 1.000 kilo cocaïne te leveren aan een vertegenwoordiger van het Duitse ministerie van Oorlog, die de NCF in dit geval direct aflevert aan het front.

De NCF was volgens Braam verantwoordelijk voor de verslaving van meer dan honderdduizend soldaten, die daar na afloop van de oorlog grote problemen van ondervonden. Tegen dagblad Spits zegt ze in oktober 2009 dat er tussen 1914 en 1918 jaarlijks gemiddeld 30.000 kilo werd geëxporteerd, drie keer zoveel als in de jaren daarvoor. Ook in 1919 kon de NCF nog veel cocaïne afzetten: in de roman heeft Braam het over een verkoop van 13.941 kilo.

Tot slot komt Braam bij Pauw & Witteman met nog een onthutsend feit: de NCF was in de Tweede Wereldoorlog op grote schaal amfetamine (speed) gaan produceren voor de Duitsers, die deze drug aan hun soldaten gaven om de ontberingen aan het front beter te kunnen doorstaan. Paul Witteman is in de uitzending van 2009 diep onder de indruk van de onthullingen over een onderdeel van de vaderlandse geschiedenis dat volgens Braam onder het vloerkleed was geveegd: „Hulde voor de research.” Jeroen Pauw valt hem bij: „We hebben niet alleen genoten van de roman, maar vooral ook van alle feiten die erin staan.”

Braams boek komt na haar overtuigende optreden bij Pauw & Witteman meteen binnen op de bestsellerlijst. Er werden meer dan 30.000 exemplaren van verkocht. Haar boek wordt in 2011 vertaald in het Engels als The Cocaine Salesman.

In november 2012 promoveert Bosman aan de Universiteit Maastricht op The History of the Nederlandsche Cocaïne Fabriek and its Successors. Hij maakt in zijn zeer goed gedocumenteerde proefschrift van 550 pagina’s in een bijlage korte metten met Braams research. Hij vraagt zich af hoe zij aan de cijfers is gekomen over de hoeveelheid cocaïne die de NCF heeft geproduceerd, omdat hij daar zelf geen volledige documentatie over heeft kunnen vinden voor de periode 1900-1924. Wel kon hij betrouwbare ramingen maken op basis van de beschikbare financiële informatie.

Bosman concludeert dat de NCF tussen 1910 en 1917 een productiecapaciteit had van 750 kilo per jaar en vanaf 1918 1.500 kilo. De werkelijk geproduceerde hoeveelheid cocaïne tussen 1915 en 1920 lag volgens Bosman tussen de 500 en 900 kilo per jaar. De cijfers die Braam in Spits noemt (de Wereldomroep tekende vergelijkbare torenhoge hoeveelheden op uit haar mond), zijn 30 tot 40 keer te hoog. Met een hoeveelheid van 700 kilo kunnen hooguit 4.000 verslaafde soldaten van een dagelijkse portie van 500 milligram worden voorzien, heel wat minder dan de ruim honderdduizend verslaafde soldaten waarover Braam spreekt in de roman.

Braam baseert haar bewering dat de NCF al in 1910 de grootste cocaïnefabriek ter wereld was op een eerdere foutieve interpretatie (in het proefschrift van historicus Marcel de Kort) van een artikel van enkele regels in het Pharmaceutisch Weekblad uit 1925, een wel heel magere bron. In dat artikel blijkt alleen te staan dat de NCF in 1910 kwalitatief de eerste plaats had weten te bereiken op de wereldmarkt. De grootste cocaïnefabriek was op dat moment Merck in Duitsland, dat voor de Eerste Wereldoorlog 7.000 kilo per jaar maakte. Merck ging bovendien, in tegenstelling tot wat Braam beweert, tijdens de oorlog door met produceren uit de voorraad cocabladeren, waardoor het bedrijf in 1917 en 1918 nog altijd 1.246 respectievelijk 1.739 kilo produceerde, meer dan de NCF. Deze productiecijfers staan in een belangrijke publicatie over Merck uit 1995 die nota bene in Braams literatuurlijst voorkomt.

Uit een document uit het archief van Burroughs Wellcome uit 1901 blijkt dat Forced March-tabletten slechts 3,24 mg cocaïne bevatten, wat betekent dat soldaten per dag 308 tabletten hadden moeten slikken om 1 gram naar binnen te krijgen. Ter vergelijking: een lijntje coke is 50 à 60 mg.

Bosman vond ook geen enkele aanwijzing dat de NCF cocaïne leverde aan alle oorlogvoerende partijen, zoals Braam stelt op basis van alweer een artikel uit het Pharmaceutisch Weekblad, nu uit 1939. Daarin valt alleen te lezen dat de NCF Groot-Brittannië en Japan van cocaïne voorzag, omdat deze landen dat zelf nog niet produceerden.

Bosman constateert dat Braam wel vaker de inhoud van publicaties naar haar hand zet. Als voorbeeld geeft hij een studie van de Duitse legerarts Theodore Aschenbrandt, die in 1883 cocaïne toediende aan vijf soldaten die last hadden van uitputting, verwondingen en diarree. De soldaten knapten snel op en waren onder invloed van cocaïne beter opgewassen tegen zware inspanningen en hadden geen hongergevoel. Aschenbrandt concludeerde dat cocaïne een groter stimulerend effect heeft dan alcoholische dranken en koude koffie. Over het afnemen van angst, toenemen van zelfoverschatting, makkelijker ophitsbaar zijn, waarover Braam rept in interviews, schrijft Aschenbrandt geen woord.

Ook is er volgens Bosman geen enkele indicatie dat de NCF amfetamine produceerde en leverde aan de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog (wel is bekend dat Duitse en Amerikaanse soldaten deze drug gebruikten). Amfetamine wordt niet genoemd in de notulen van een commissarissenvergadering waarin alle producten staan opgesomd die de NCF na 1920 introduceerde. Mogelijk verwart Braam (of haar bron) amfetamine met het chemisch verwante efedrine (toegepast in neussprays en anti-hoestmiddelen), een stof die de NCF vanaf 1940 maakte.

Bosman kent geen enkele bron die Braams bewering zou kunnen staven dat Britse en Duitse soldaten systematisch hoge doses cocaïne kregen verstrekt, geleverd door welke fabrikant dan ook. Uit de literatuur blijkt juist dat zowel in Duitsland als in Engeland in 1916/1917 maatregelen werden genomen om cocaïnemisbruik door soldaten te voorkomen, omdat de overheid zich realiseerde dat soldaten daardoor niet goed konden functioneren. Cocaïneverslaving kwam in Engeland tijdens de Eerste Wereldoorlog wel voor onder soldaten en onder de burgerbevolking, maar in de verste verte niet op de door Braam gesuggereerde schaal. Dat is ook na te lezen in een artikel van de Britse historica Virginia Berridge, dat Braam zelf opvoert in haar bronnenverantwoording.

Bosman trekt in zijn proefschrift de vernietigende conclusie „dat Braams boek niet gebaseerd is op ‘ware feiten’, maar het resultaat is van een vooringenomen interpretatie van enkele publicaties, aangevuld met verzinsels om een sensationeel verhaal te creëren”. Hij heeft nooit de moeite genomen om Braam te benaderen. „Ik vond dat te veel eer”, zegt hij desgevraagd. „Haar boek was al gepubliceerd en ik had niet de illusie dat ze op welke kritiek dan ook serieus zou ingaan.”

Wie Braam wel benaderde in november 2009 na lezing van haar boek was Fred Vis, voormalig directeur van het chemische bedrijf Diosynth. „Ik heb Braam een vriendelijk briefje gestuurd waarin ik haar meldde dat ik uit een directieverslag van de NCF over de periode 1900 tot 1946 met zekerheid wist dat de 13.941 kg cocaïne die volgens haar roman in 1919 was verkocht meer dan 10 keer hoger was dan de werkelijke omzet”, vertelt Vis. „Verder liet ik haar weten dat de NCF onmogelijk in 1917 de in de roman genoemde hoeveelheden aan Engelse en Duitse klanten kon hebben afgezet. Ik schreef haar ook dat ik vooral moeite had met haar suggestie dat de leiding van de NCF volledig op de hoogte zou zijn geweest van de wegen van hun product naar de eindverbruiker en hoe de stof door militairen werd toegepast.”

De schrijfster liet Vis per e-mail weten dat de door haar genoemde hoeveelheden tot stand waren gekomen op basis van documenten van de Koloniale Bank, de Kamer van Koophandel en De Nederlandsche Bank, en uit Engelse archieven waaronder die van Burroughs Wellcome. Ze noemde echter geen enkele precieze bron voor de door haar genoemde hoeveelheden en ging slechts zijdelings in op Vis’ andere tegenwerpingen, zo blijkt uit de correspondentie tussen Braam en Vis. Ook wimpelde ze Vis’ aanbod af om inzage te geven in het bovengenoemde ongepubliceerde directieverslag van de NCF. Daarvan zei ze pas gebruik te willen maken „mocht ik in de toekomst nogmaals over de fabriek willen schrijven”.

Vis stelde Bosman na diens promotie op de hoogte van de gereserveerde reactie van Braam. „Dit is voor mij het bewijs dat Braam een echte discussie over de geleverde hoeveelheden en haar beweringen niet aandurft en niet te goeder trouw is”, zegt Bosman.