In Yukon hoef je geen hypotheek, daar bouw je je eigen huis

Canada Journalist Nienke Beintema woont met haar gezin een jaar in Yukon, tegen Alaska aan, waar de bevolking van en met de natuur leeft. „Eland geschoten! Wil jij meehelpen met slachten?”

‘Steek hier nu je mes in en volg die bocht. Dicht tegen het bot aan. Zo, ja. En laat nu de zwaartekracht het werk maar doen.” Een lap vlees van zo’n twintig kilo kantelt af van het enorme dijbeen dat aan een touw aan het plafond hangt. Cathie Archbould vangt het met beide armen op. Elandenvlees, kakelvers. Eergisteren heeft ze het dier geschoten in Yukon, Noordwest-Canada.

Met vier man staan we het vlees te verwerken in een schuur in een buitenwijk van Whitehorse, de hoofdstad van Yukon. We hebben schorten voor, jassen aan, mutsen op. Buiten vriest het flink en de schuur is niet verwarmd. Het plafond is versterkt met balken. Daaraan hangen twee stevige achterpoten met billen, twee voorpoten met schouders, plus een zak met rib- en lendenstukken.

Yukon is Canada’s meest noordwestelijke ‘territorium’, het heeft niet de officiële status van provincie. Het ligt tegen Alaska aan en strekt zich uit van 60 graden noorderbreedte – vergelijkbaar met Oslo – tot ver boven de poolcirkel. Yukon is twaalf keer zo groot als Nederland en telt 38.000 inwoners. Driekwart van hen woont in Whitehorse aan de rivier de Yukon.

„Eland geschoten! Wil jij meehelpen met slachten?” appte Archbould mij gisteren

De kleurrijke houten huizen doen Scandinavisch aan, de supermarkten Amerikaans. En overal vind je galerieën en hippe koffietentjes met wifi. Toch is Whitehorse geen ‘gewoon’ westers stadje. Wie er rondloopt, ziet opmerkelijke dingen. Auto’s met kano’s op het dak. Een pick-uptruck vol pas gezaagde stammetjes, een vers elandgewei erbovenop. Veel outdoorwinkels, vuilnisbakken die bear proof zijn. En enorme stapels haardhout en sneeuwscooters in elke voortuin – plus veelal een gewei of twee, van eland of kariboe, het Noord-Amerikaanse rendier.

Hier wonen de mensen weliswaar in de stad, maar tegelijkertijd mét en ván de natuur. The Yukon way of life noemen ze dat.

Geen stromend water, wel wifi

„Eland geschoten! Wil jij meehelpen met slachten?” appte Archbould mij gisteren. „Dat is een paar dagen werk, dus we kunnen alle hulp gebruiken.” Sinds augustus woon ik met mijn gezin voor een jaar in een dorpje in de wildernis, op twee uur rijden van Whitehorse. Gewoon omdat het kan – als schrijvende freelancer kan ik overal werken waar internet is. Ons dorpje (300 inwoners) heeft weliswaar geen stromend water, riolering of mobiele telefonie, maar wel elektriciteit en wifi. En vrienden die ons verliefd lieten worden op die Yukon way of life.

Eén van hen is Cathie Archbould (55), in het dagelijks leven fotograaf. Zij woont in Whitehorse, maar bouwde voor de weekenden een blokhut in ons dorpje, met uitzicht op een besneeuwde berg en een blauwgroen gletsjermeer. Ze verdient genoeg om boodschappen te betalen, maar kiest ervoor om hout en vlees zelf uit de natuur te halen. Daar steekt ze al haar vrije tijd in – en ze neemt er weken vrij voor. „Ik schiet geen eland dood omdat ik dat leuk vind”, benadrukt ze, terwijl ze in de koude schuur een lap vlees tot biefstukken snijdt. „Ik doe het omdat het een goed gevoel geeft om van het land te leven.”

Het is een duurzaam bestaan, zegt ze, dat tradities in ere houdt. En het is een gezond en avontuurlijk bestaan. Het brengt je op de mooiste plekken van Yukon, met in het zuiden de uitgestrekte naaldbossen, meren en bergen, en in het noorden de toendra en de vlechtende rivieren. Vanuit je auto of je kano maar ook vanuit ons keukenraam zie je lynxen, wolven en beren – en vooral veel elanden.

Snoek (op de grill), zalmforel en een gletsjermeer in Yukon, Canada. Veel inwoners werken parttime of zelfstandig, om tijd te hebben voor jagen, vissen en houthakken.

Archbould vertelt vol vuur over het exemplaar dat nu aan de balken hangt. „We hadden hem al zes dagen in de gaten. We zaten in de kano op het meer en probeerden hem naar de waterkant te lokken.” Ze demonstreert het geluid dat ze daarvoor maakt: een klaaglijk loeien door de neus, de roep van de mannetjes. Zodra die dat horen, komen ze eropaf om de concurrent te verjagen. „We waren hele dagen op het water, vanaf zonsopgang. Een kwartier roepen, drie kwartier wachten. Maar nee hoor, we hadden de moed al bijna opgegeven. Tot hij opeens tevoorschijn kwam. Toen hadden we hem.” De eland is een jong mannetje van drie- à vierhonderd kilo. „Daar halen we zo’n honderdvijftig kilo vlees van af. Meer dan genoeg voor een gezin voor een jaar.”

Jagen op eland, kariboe, bizon, beer

Het toezicht op de jacht is streng in Yukon. Er zijn strikte regels voor welke dieren je mag schieten, wanneer, waar, hoe en bovenal: hoeveel. Ieder jaar verkoopt de overheid per soort een beperkt aantal vergunningen, afhankelijk van de aantallen van die soort. Van de 70.000 elanden in Yukon wordt jaarlijks zo’n 1 procent geschoten. Andere bejaagde soorten zijn kariboe, bizon, bergschaap, berggeit, grizzlybeer en zwarte beer. Ook die laatste twee worden gewoon gegeten, jaarlijks samen zo’n 140 stuks.

Lees ook dit reisverhaal: Survival te paard, een avontuur in Canada

In totaal schieten de inwoners van Yukon zo’n 1.600 grote dieren per jaar – genoeg om zesduizend mensen, bijna eenzesde van de bevolking, een jaar te voeden. Maar het vlees komt terecht bij een veel grotere groep, benadrukt Archbould, omdat ‘eerlijk delen’ een onderdeel is van de Yukon-jachttraditie. „Wij zijn thuis maar met ons tweeën, dus wij hebben aan een halve eland genoeg. De rest geef ik weg.”

Ook onze vriezer begint al aardig vol te raken. We hebben elanden- en bizonvlees, her en der gekregen in ruil voor allerhande klussen. Zalmforel die we zelf hebben gevangen. Rode zalm die we kochten van de inheemse gemeenschap. Kool uit de moestuin van vrienden. En frambozen van de berghelling rond ons huis.

Allemaal werken ze parttime. Daardoor houden ze tijd over om hout te hakken, te jagen en te vissen

Want ook dat hoort erbij: zelf gekweekte of gezochte groenten en fruit. „In het bos kun je eindeloos foerageren”, zegt Robin Urquhart, onze naaste buurman die driehonderd meter verderop woont. Net als veel dorpsgenoten bezit hij een kleine hectare bos. Hij bukt eens hier, plukt eens daar – en vindt overal wat eetbaars. „Dit is familie van jullie zwavelzwam”, zegt hij, terwijl hij knielt bij een platte, goudgele zwam. „Wij noemen hem chicken of the woods, want hij smaakt wel wat naar kip.”

Vossebessen, bosbessen, frambozen

Urquhart (36) is milieu-ingenieur en werkt online, als consultant. Hij groeide op in ditzelfde dorpje, studeerde en reisde over de hele wereld, maar kwam terug om zich hier te vestigen, juist vanwege die way of life. Die bewuste keuze maakten veel van onze lokale kennissen. Sommigen van hen hebben geen hypotheek omdat ze hun eigen huis bouwden, van zelf gezaagde stammen. Allemaal werken ze parttime, als zelfstandige of in reguliere banen. Daardoor houden ze tijd over om hout te hakken, te jagen en te vissen, hun moestuin te bewerken en water uit het meer te halen voor in hun watertank.

Op de helling boven Urquharts huis vinden we verse uitwerpselen van een wolf en een lynx. Boven ons hoofd buitelen raven, die klokkende geluiden maken. Het vochtige bos geurt naar hars, jeneverbes en labrador tea, een heidestruik waar je thee van kunt trekken. Urquhart stopt bij een struik, aan de lange scheuten groeien felrode bessen. Highbush cranberry,. Dat is geen echte cranberry, maar een nauwe verwant van onze Gelderse roos. De Europese soort is mild giftig, maar de Noord-Amerikaanse niet. „Probeer maar.” De bessen smaken friszuur, bijna wrang. „Ze zijn rijk aan vitamine C. Wij eten ze vooral als compote bij vleesgerechten.”

We vinden ook vossebessen, bosbessen, frambozen, zwarte bessen en kraaiheidebessen. Zijn die laatste lekker? „Wel als je ze kookt met een heleboel suiker”, lacht Urquhart. „Je kunt er prima jam van maken. Of slump, een saus van bessen met dumplings erin. Daar mag je mij voor wakker maken. Als kind had ik permanent blauwe lippen.”

Lees ook: Deze tien plekken lijken over tien jaar niet meer op wat ze nu zijn

Hij is tevreden met zijn leven: half millennial, half pionier. Trots laat hij zien waar hij zijn nieuwe, zelf ontworpen huis gaat bouwen. Zijn haardhout haalt hij uit het bos, zijn groenten uit zijn moestuin. „Het is heel bevredigend om grotendeels zelfvoorzienend te zijn”, zegt hij. „Om middenin de donkere winter je eigen oogst op tafel te zetten.”

Die bevrediging noemt ook Archbould, als ze ons een pakket elandenvlees komt brengen. „Ik ben opgegroeid in het zuiden van Canada”, vertelt ze, „een kind van de grote stad. Maar nu zou ik niet anders meer willen. Dat je je hout binnen hebt, je vlees en je vis, en dat je dan kunt zeggen: laat die winter maar komen.”

    • Nienke Beintema