Strijdgas laat meetbare sporen na

Dat Syrië beschikt over strijdgassen is bekend. Maar hoe kun je vaststellen of die ook echt zijn ingezet?

Karel Knip

Subway passengers wait to receive medical attention after inhaling Sarin nerve gas in Tokyo's subway on March 20, 1995. Aum sect attackers unleashed Sarin nerve gas in the Tokyo metro system during rush hour killing twelve people and injuring more than 5000 others. AFP

Is het zenuwgas sarin gebruikt in Syrië? Nog steeds is daarvoor geen bewijs geleverd. De enige aanwijzingen bestaan tot dusver uit video-opnamen die op 13 april in Aleppo zouden zijn gemaakt. Ze tonen slachtoffers in een hospitaal met wit schuim om de mond. De in Engeland opgeleide arts Niazi Habash, die sommige getroffenen behandelde, heeft ze op Facebook gezet. Ook op YouTube zijn ze te vinden (Aleppo, foaming).

Het schuim is overtuigend genoeg, maar niet duidelijk is of de gefilmde slachtoffers ook lijden aan de sterke pupilvernauwing (miosis) die typisch is voor blootstelling aan zenuwgas. Sarin, en andere zenuwgassen als soman, tabun en cyclosarin, passeren makkelijk het hoornvlies en de sterke pupilvernauwing geldt als het vroegste symptoom van blootstelling aan zenuwgas. Moeite met het zien (blurred vision) geldt ook voor de getroffenen zelf als het eerste teken dat er iets mis is. Ook niet duidelijk op de filmpjes worden andere karakteristieke symptomen, zoals een lopende neus en spasmen. Zo is niet te zien of slachtoffers moeite hebben met ademhalen. Bij de terroristische aanslag met sarin in de metro van Tokio (1995) was dit duidelijker.

Maar op 18 april zouden volgens de Washington Post het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk onafhankelijk van elkaar aan VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon hebben meegedeeld toch over aanwijzingen te beschikken dat strijdgassen waren ingezet. Ze zouden berusten op analyses van bodemmonsters. Het woord sarin als de aanduiding voor het specifieke zenuwgas dat was ingezet, werd pas op 23 april gebruikt door Israëlische autoriteiten. Het was al bekend dat Syrië voorraden mosterdgas en sarin, en waarschijnlijk ook VX, bezit.

Overigens werd de suggestie dat er strijdgassen waren gebruikt – door de opstandelingen, wel te verstaan – ook al in maart gedaan door de Syrische regering. Ban Ki-moon houdt sinds die tijd experts van de wereldgezondheidsorganisatie WHO en van de OPCW gereed voor nader onderzoek. De OPCW ziet toe op naleving van het verdrag tegen chemische wapens (CWC) van 1993. Tot dusver hebben de experts Syrië niet kunnen binnengaan. Syrië is, zoals Egypte en Israël, geen partij bij het verdrag tegen chemische wapens en hoeft geen OPCW-inspecties te aanvaarden. Het is slechts gehouden aan het protocol van Genève uit 1925 dat gebruik van chemische strijdmiddelen in oorlogsomstandigheden verbiedt. Het land zou nog kunnen volhouden dat de huidige strijd geen oorlog maar oproer is. Daarvoor geldt het protocol niet. Ook in Nederland mag bij oproer een agressief gas als traangas worden ingezet.

Intussen verstrijkt de tijd. Dat roept de vraag op hoeveel weken na de vermeende inzet van strijdgassen daarvoor nog overtuigend bewijs is te vinden. Het antwoord is: vele weken, misschien wel maanden, maar het hangt af van de hoeveelheid zenuwgas die is gebruikt en welke soort aanwijzingen men nog als ‘bewijs’ aanvaardt. De OPCW gaat voor wat betreft de naleving van de CWC primair uit van resten gifgas die in het milieu zijn aangetroffen. Maar bodemonderzoek kan alleen ‘bewijs’ opleveren als bemonstering en analyse aan welomschreven strenge eisen voldoen en als voldoende chemische controles zijn meegenomen. Alleen analyses van een kleine groep door de OPCW erkende laboratoria worden aanvaard.

Een vluchtige stof als sarin verdampt makkelijk en kan, afhankelijk van de weersomstandigheden, snel uit het terrein verdwijnen. Wel kunnen allerlei afbraakproducten in de bodem achterblijven, bijvoorbeeld na een reactie met regenwater, maar die producten kunnen ook een onschuldige herkomst hebben. Daar zit in juridisch opzicht een moeilijkheid. In de praktijk zal het wel meevallen. Robin Black en collega’s van het Britse centrum voor onderzoek aan chemische en biologische wapens in Porton Down konden nog in 1992 met chromatografische technieken intact sarin aantreffen in bodemmonsters uit het Koerdische dorpje Birjinni. Dat was in augustus 1988 door Irak bestookt met chemische wapens. Afbraakproducten van zwavel-mosterdgas en sarin werden gevonden in de bodem, in kleding en in poppen van insecten die zich, als larven, hadden te goed gedaan aan de lichamen van overleden slachtoffers (Journal of Chromatography A, 1994). Extra overtuigingskracht kwam in dit geval van interviews met overlevenden die zeiden dat ze tijdens de aanval het gevoel hadden te stikken, tijdelijk blind raakten en last hadden van spasmen en verlammingen.

Ook de analyse van bloed- en urinemonsters van mensen die werden blootgesteld aan strijdgassen kan overtuigend bewijs opleveren. Het toenmalige Prins Maurits Laboratorium (PML) van TNO in Rijswijk kon in 1988 aan de hand van onderzoek aan bewaard gebleven urinemonsters bevestigen dat Irak in de oorlog met Iran (1980-1988) zwavel-mosterdgas had ingezet (Journal of Analytical Toxicology, jan.-feb. 1988). In de urine vond men verhoogde hoeveelheden thiodiglycol, een omzettingsproduct van het gas.

Het probleem met urine is dat de afbraakproducten van gifgassen vaak niet erg specifiek zijn en er bovendien maar kort in worden aangetroffen, zegt TNO-onderzoeker Daan Noort. “Een dag of twee, drie na blootstelling zijn de concentraties zo sterk teruggelopen dat de stoffen alleen nog met geavanceerde technieken zijn terug te vinden.” Noort werkt op het voormalige PML in Rijswijk dat inmiddels is opgenomen in TNO’s afdeling Integrale Veiligheid. Het gerenommeerde lab is één van de 22 ‘designated laboratories’ waarop de OPCW in voorkomende gevallen een beroep doet voor de analyse van verdachte monsters. Het even vermaarde lab in Porton Down is een ander.

Noort publiceert veel met Robin Black van Porton Down over moderne analysetechnieken die onder meer op bloedonderzoek berusten. Een ‘gelukkige’ bijkomstigheid is dat de enzymen waarop zenuwgassen aangrijpen (zie kader) ook ruimschoots in het bloed worden aangetroffen: het acetylcholinesterase (AChE) gebonden aan rode bloedcellen en het sterk verwante butyrylcholinesterase (BuChE) in het plasma. Zenuwgassen als sarin binden zich stevig aan de enzymen en blijven in die toestand lang in het bloed aanwezig. De gemiddelde leeftijd van rode bloedcellen is 120 dagen. De halfwaardetijd van BuChE is zo’n twee weken, maar daar staat tegenover dat er heel veel van in het plasma voorkomt. Afhankelijk van de grootte van de besmetting is daarom vaak nog vele weken na dato uitsluitsel te geven over gebruik van zenuwgas. Forensisch heel aantrekkelijk is dat de meeste zenuwgassen met een speciale techniek (fluoride reactivering) in hun oorspronkelijke chemische vorm uit het bloed zijn vrij te maken. Helderder bewijs is nauwelijks denkbaar. De OPCW studeert op de mogelijkheid om dit type techieken voor CWC-inspecties te gaan gebruiken. Ze zijn in aangepaste vorm ook door Daan Noort c.s. gebruikt om – eens te meer – aan te tonen dat Iraanse militairen destijds door mosterdgas waren getroffen.