Songfestival en kwaliteit, een lastige relatie

Voor de inzendingen voor het Eurovisie Songfestival is kwaliteit geen criterium. En een internationale Eurovisie-stijl bestaat al lang niet meer.

Lenny Kuhr en David Hartsema na hun aankomst op Schiphol. Lenny Kuhr had een dag eerder het Eurovisiesongfestival in Madrid gewonnen. Date 30 March 1969 Source Nationaal Archief Author Nationaal Archief, Den Haag, Rijksfotoarchief: Fotocollectie Algemeen Nederlands Fotopersbureau (ANEFO), 1945-1989 - negatiefstroken zwart/wit, nummer toegang 2.24.01.05, bestanddeelnummer 922-2482 Permission (Reusing this file) http://www.gahetna.nl/over-ons/open-data

Het is niet verboden een goed lied in te sturen voor het Eurovisie Songfestival. Maar het is ook geen voorwaarde. De enige eisen die de organiserende European Broadcasting Union (EBU) stelt, betreffen de lengte (hooguit drie minuten), het maximale aantal uitvoerenden op het toneel (zes), ieders minimumleeftijd (16) en de tekst die niet direct politiek getint mag zijn. Wie slechts in algemene termen oproept tot de wereldvrede, wordt echter met open armen ontvangen, zoals ook dit jaar weer uit diverse inzendingen zal blijken. Kwaliteit is geen criterium, en gebrek aan kwaliteit evenmin.

Nederland – in casu de organiserende TROS – heeft dit jaar gekozen voor een ballad uit het rockidioom. Niet als voortvloeisel van een doordacht beleid, maar vooral onder druk van de omstandigheden: de zangeres Anouk had zich nu eenmaal aangemeld om mee te doen en de omroep kon daar, mede op aandringen van een heftig meelevende achterban, geen nee tegen zeggen. Daar kwam nog bij dat eerdere pogingen om wél een bewuste strategie te denken, de laatste jaren tot niets hadden geleid. Het volkse Vader Abraham-genre (Sieneke) had op Europese schaal geen enkele indruk gemaakt, de Volendam-sound (3JS) sneuvelde deerlijk en voor de meanderende mengelmoes (Joan Franka) gold hetzelfde lot. Nederland heeft de laatste zeven jaar niet meer in de finale gestaan. Dat is een sneu record.

Wat het extra ingewikkeld maakt, is het feit dat er allang geen internationale Eurovisie-stijl meer bestaat. Ooit, vanaf de eerste Songfestival-editie in 1956, vielen alle deelnemende liedjes min of meer samen met de lichte muziek die destijds in de mode was: melodieuze ballades en vrolijke meezingnummertjes. Maar toen dat repertoire een jaar of acht later in de hitlijsten werd verdrongen door de nieuwe klank van de beatgroepen, maakte die muzikale revolutie voor het festival geen enkel verschil – dat hield vast aan het vertrouwde genre. En nog met succes óók: elke Eurovisie-winnaar werd als vanzelfsprekend een hit. Maar in de jaren zeventig leken de verschillen tussen de reguliere hits en de Songfestival-winnaars weer wat te vervagen. Tussen de festivalnummers en de popliedjes die in de rest van het jaar in de hitparades stonden, was toen nauwelijks meer enig onderscheid te horen. Sterkste voorbeeld: Abba's Waterloo.

Maar in de loop van de jaren tachtig groeide de kloof weer. Wie alleen afgaat op dit jaarlijkse Songfestival, zou zelfs denken dat disco nog altijd een vooraanstaande rol speelt in het internationale popcircuit. Sinds hun entree op het festival moesten de Oost-Europese landen op popgebied immers een inhaalslag maken. Bovendien doen ze, om nationalistische redenen, vaak beter hun best dan de westerse landen die er soms met de pet naar gooien – in de veronderstelling dat de camp-knipoog hier toonaangevend is. Daarmee hangt ook samen dat de Oost-Europese liedjes in hun eigen regio nog altijd op een hitstatus kunnen rekenen, terwijl dat in het westen lang niet meer zo zeker is. De interesse van de westerse platenmaatschappijen is de laatste jaren drastisch gedaald. Net als die van het westerse publiek.