Nostalgie is niet meer wat het was

Nostalgie is in de loop der eeuwen van betekenis veranderd, blijkt uit een nieuw historisch overzicht.

Odysseus, de allereerste heimweelijder

Vroeger was alles beter. Alles? Nee, natuurlijk niet. Waar je vroeger bijvoorbeeld maar beter geen last van kon hebben, is nostalgie. Ruim drie eeuwen geleden was dat een ziekte. Wie aan nostalgie leed, had koorts, kon niet slapen, wilde niet eten, voelde zich zwak en verdrietig en had hartkloppingen. Een nare aandoening, die nauwelijks lijkt op de bitterzoete, troostrijke gedachten aan vroeger waar de moderne nostalgicus zich mee vermeit. Dat zo’n emotie in de loop der tijd zó kan veranderen.

Nostalgie is definitief niet meer wat het geweest is.

De Amerikaanse psycholoog Krystine Batcho (Le Moyne College, Syracuse) beschrijft die veranderingen in een overzichtsartikel dat binnenkort verschijnt in het wetenschappelijke tijdschrift History of Psychology. De grote lijn was wel bekend uit haar eigen eerdere artikelen en uit die van de Griekse psycholoog en nostalgie-expert Constantine Sedikides (University of Southampton). Bijeen geven al deze artikelen een goed overzicht van de veranderende ideeën over een gevoel dat we nu als iets vaststaands beschouwen. Eén ding is zeker: nostalgie is definitief niet meer wat het geweest is.

Mensen hadden ongetwijfeld al vóór de zeventiende eeuw gevoelens die mensen later nostalgisch zouden noemen, maar pas in 1688 werd het woord ‘nostalgie’ gemunt. De Zwitserse arts Johannes Hofer bedacht het als vergaarterm voor de hier eerder beschreven symptomen, die hij aantrof bij Zwitserse soldaten die in Frankrijk vochten. Zij dachten voortdurend aan naar huis gaan (terugkeren naar hun geboorteland, nostos in het Grieks) en dat veroorzaakte volgens Hofer hun lijden (algos).

Aanvankelijk werd gedacht dat de nostalgie iets typisch Zwitsers was. Rinkelende koebellen in de Alpen zouden de menselijke hersenen aantasten, dachten sommige artsen. Of misschien konden de uit de bergen afgedaalde Zwitsers niet tegen de lagere luchtdruk. Maar nee: soldaten uit andere landen bleken ook nostalgie te kunnen krijgen. In feite ging het om wat we nu heimwee noemen.

In de eerste helft van de negentiende eeuw was er nog steeds geen duidelijke fysieke oorzaak gevonden voor deze ‘soldatenziekte’, die, zo werd duidelijk, niet tot soldaten beperkt bleef – zelfs vrouwen konden eraan lijden. Artsen begonnen nu aan een mentale ziekte te denken met fysieke symptomen. Daar kwamen al snel psychiatrische symptomen bij: nostalgie zou de vrije wil aantasten en mensen tot impulsieve daden als brandstichting, kindermoord en zelfmoord aanzetten. Aan het eind van de negentiende eeuw verdween nostalgie/heimwee echter weer als aparte psychiatrische ziekte, volgens Batcho onder meer doordat het vervoer steeds beter werd, en ook doordat er verfijndere categorieën voor geestesziekten werden bedacht.

Daarmee kwam er ruimte voor nostalgie als een – niet al te beste – psychologische eigenschap. Een psycholoog deelde rond 1900 de mensheid in in ruimdenkende kosmopolieten en bekrompen provincialen, snel ten prooi aan nostalgie. Een ander merkte op dat nostalgie echt iets voor adolescenten is, omdat die zich in een overgangsperiode in hun leven bevinden: ze nemen definitief afscheid van hun kindertijd. Freud heeft het niet expliciet over nostalgie, schrijft Batcho, maar zijn ideeën hebben het denken over nostalgie zeker beïnvloed. In de eerste helft van de twintigste eeuw verschoof nostalgie steeds verder van vaderlandsliefde naar liefde in het algemeen – in 1941 betoogde een Amerikaanse psycholoog dat hij geen verschil zag tussen nostalgie en liefdesverdriet.

In de tweede helft van de twintigste eeuw kreeg nostalgie een steeds positiever tintje. Goed, nostalgische gevoelens waren somber, maar mensen haalden op hun meest nostalgische momenten juist ook prettige herinneringen op, waarmee ze zichzelf troostten. Tegen de millenniumwisseling definieerden psychologen nostalgie als een bitterzoete emotie, dus een met positieve én negatieve gevoelswaarde. En de laatste jaren benadrukken psychologen als Sedikides zelfs de gunstige effecten van nostalgie: mensen voelen zich goed over zichzelf, en verbonden met anderen, nadat ze zich hebben overgegeven aan nostalgische gedachten.

En daarmee is nostalgie een heel eind van heimwee verwijderd geraakt. Hoewel. In zekere zin zijn de begrippen ook weer naar elkaar toegegroeid. Want Odysseus was de allereerste heimweelijder, letterlijk een nostalgicus avant la lettre, en bij hem was heimwee geen ziekte maar iets nobels, iets om te bewonderen en aan te moedigen. Nostalgie is na lang als ziekte te zijn aangemerkt, nu ook weer duidelijk goed voor een mens.

Althans, voorlopig.