Nederlanders wisten niet van Holocaust

Op het artikel van Ies Vuijsje Wie het wilde weten, kon het weten kwamen veel reacties binnen. Sommige schrijvers waren boos, anderen ontroerd. Hierbij de reacties van Bart van der Boom en A.F. van Weele.

Iedereen in bezet Nederland kon weten dat gedeporteerde Joden werden vermoord, beweert Ies Vuijsje (NRC Handelsblad, 4 mei). Eerder verdedigde Vuijsje deze stelling in zijn studie Tegen beter weten in (2006). Dat vond ik zo’n eenzijdig boek dat ik besloot zo veel mogelijk oorlogsdagboeken te bestuderen, teneinde een antwoord te geven op de eeuwige vraag of we het gewusst haben.

Dat resulteerde in een boek, Wij weten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust, dat vorig jaar verscheen. In het boek leg ik uit waar Vuijsje het materiaal verkeerd interpreteert en welke denkfouten hij maakt.

Vuijsjes eerste denkfout is zijn vraagstelling. Die veronderstelt dat er maar twee antwoorden mogelijk zijn op de vraag of gewone Nederlanders destijds wisten van de Holocaust. ‘Geloofden zij de Duitse verklaringen dat de Joden naar het oosten werden gedeporteerd om daar tewerk te worden gesteld? Of wisten zij dat de weggevoerde Joden in Polen en masse werden vermoord?’

Maar wie oorlogsdagboeken leest, ziet al snel dat het antwoord is: geen van beide. Of: allebei. Men dacht dat de Joden in Polen zware dwangarbeid moesten verrichten, en dat velen op den duur daaraan zouden bezwijken. Men dacht niet aan uitroeiing óf tewerkstelling, maar aan uitroeiing én tewerkstelling – of meer nog aan uitroeiing door tewerkstelling. Dat antwoord past bij voorbaat al niet in Vuijsjes stramien.

Denkfout nummer twee is dat Vuijsje niet ziet dat ‘uitroeiing’ en ‘vernietiging’ in 1942-1943 iets anders betekenden dan Auschwitz en Sobibor. Wanneer mensen zeiden dat de Duitsers de Joden wilden uitroeien, dachten ze aan een concreet doel. Niet aan een concreet middel. Het Duitse doel, zo was velen duidelijk, was dat de Joden zouden verdwijnen. Het middel, dachten ze, was deportatie naar een onherbergzaam oord. Daar zouden de gezinnen uiteen worden gerukt, en werden ze aan de zware arbeid gezet. En wie niet kon werken, zou aan zijn lot worden overgelaten.

Dat stelde men zich bij uitroeiing voor: de Joden zouden het zwaar krijgen en velen zouden op termijn omkomen – maar hóe zwaar, hóe velen en op wélke termijn was geheel onduidelijk.

Wisten de mensen in bezet Nederland dus iets van de Holocaust? 1. Nee, ze wisten niets, behalve dat het in Polen vreselijk zou zijn, en ze koesterden over de concrete omstandigheden daar slechts angsten en vermoedens. En 2. die vermoedens waren somber, maar miskenden de werkelijkheid. Niemand van de door mij bestudeerde 164 dagboekschrijvers zegt in heldere bewoordingen dat de Joden niet tewerkgesteld werden, maar in meerderheid bij aankomst gedood werden. Dat was simpelweg onvoorstelbaar.

Deze nuanceringen zijn aan Vuijsje niet besteed. Iedere dagboekschrijver die rept van ‘vernietiging’ en ‘uitroeiing’ wist het, wat hem betreft. Wat ‘weten’ en ‘het’ is, wenst hij zich niet af te vragen. Sterker nog: hij acht die vraag verwerpelijk. Elders noemt hij het door mij gemaakte onderscheid tussen intentie en praktijk “zowel onzinnig als onzindelijk”. Wie wist van de Duitse intentie, is zijn stelling, wist genoeg.

Dat is zijn derde denkfout. Miskenning van de praktijk was juist cruciaal. Veel Joden aarzelden lang over de vraag of ze moesten onderduiken. Wie onderdook en gepakt werd, wachtte immers een zekere dood in Mauthausen. Wie daarentegen op de trein stapte, zou het in Polen ongetwijfeld zwaar krijgen, maar met een beetje geluk was dat wel een paar maanden uit te houden. En dan was de oorlog afgelopen. Het was dus denkbaar dat onderduiken gevaarlijker was dan gaan, en die misrekening heeft vele Joden weerhouden van onderduiken. Het heeft ook, vermoed ik, sommige niet-Joden ervan weerhouden onderduik te bieden. Hoe Vuijsje dat irrelevant kan achten, is mij een raadsel.

En het zal ook wel een raadsel blijven, want Vuijsje beantwoordt argumenten niet met tegenargumenten, maar met wilde speculaties over mijn duistere motieven. Nu geeft dat allemaal niet: wie iets verrassends beweert over de geschiedenis van de Jodenvervolging, moet niet rekenen op een al te rationeel debat. Maar dat Vuijsje en passant opnieuw Loe de Jong beticht van wetenschappelijke fraude, terwijl ik in mijn boek aantoon dat die beschuldiging onwaar is (p. 422-424), is schaamteloos.

Bart van der Boom is historicus en docent aan de Universiteit van Leiden. Met Wij weten van niets van hun lot won hij de Libris Geschiedenis Prijs 2012.

Niemand gaf informatie

De mening van Ies Vuijsje is duidelijk die van iemand die de oorlog niet zelf heeft meegemaakt en zich niet weet te verplaatsen in de levensomstandigheden in Nederland gedurende de laatste oorlogsjaren. Ik ben geboren in maart 1929 en heb de oorlog heel bewust meegemaakt. Naast ons woonde een Joods gezin: vader, moeder, dochter en twee zoons. Alleen de jongste zoon (1924) heeft de oorlog overleefd.

De oudste zoon moest zich in 1942 melden. Hij werd daarna afgevoerd naar Duitsland, waarna nooit meer iets van hem werd vernomen. De overige leden van het gezin werden in de zomer van 1943 thuis opgehaald, via Amsterdam naar Westerbork vervoerd en daarna per trein naar het Oosten gedeporteerd. Op een tussenstation in Duitsland vond de scheiding plaats tussen de jongste zoon, die geselecteerd werd voor de Arbeitseinsatz, en de overige leden die (zoals na de oorlog is gebleken) op doorreis gingen naar Auschwitz-Birkenau. Zij werden enkele uren na aankomst vermoord.

Dat zijn de feiten zoals we die nu kennen. Vuijsje zal mij en mijn gezinsleden wel indelen in de groep ‘Wie het wilde weten’. Ik kan hem verzekeren dat we vanaf de deportatie van onze buren 24 uur per dag alert waren op berichtgeving over het lot van de Joden.

Nu onze beleving tijdens de oorlog. De bezetter gaf geen informatie, de Nederlandse overheid en de gecontroleerde media ook niet. De weggevoerden konden niet corresponderen of telefoneren. Het was riskant om de beluisterde berichten van Radio Oranje door te geven. Berichten, gedrukt door de ondergrondse pers, waren dynamiet. Wij kregen regelmatig ondergrondse krantjes in onze brievenbus. Het betrouwbaarst vonden we de pamfletten die de RAF ‘s nachts uitstrooide.

Onze antennes hebben gedurende de oorlogsjaren geen enkel bericht opgevangen waaruit we het lot der gedeporteerden konden afleiden. Wel was ons van meet af aan duidelijk dat je alles in het werk moest stellen om niet gedeporteerd te worden.

We voelden op onze klompen aan dat de behandeling van gedeporteerden door de bezetter meedogenloos en nietsontziend was. Van de systematische verdelging der Joden hebben wij niet geweten. Als het ons zou zijn verteld, hadden we het bovendien niet geloofd. Zoiets onmenselijks was zelfs toen ondenkbaar voor normale burgers. En bovendien: er werd zo veel verteld en gelogen om propagandistische redenen.

We hadden een bril op uit 1943 om er alles door te bezien en niet een uit 2013, zoals Ies Vuijsje.

A. F. van Weele, Stolwijk.