Column

Kacheltjes en ooglapjes

Terug naar eerder werk, en vooral naar het majokacheltje dat op 27 april ter sprake kwam. Maar eerst wat kleinigheden. Toen het hier op 30 maart ging over statische elektriciteit en de vraag of de poes bij het aaien negatief of positief wordt opgeladen, is en passant beweerd dat men halverwege de negentiende eeuw uitsluitend glasachtige en harsachtige elektriciteit onderscheidde. Er is niemand over gevallen, maar toevallig lag kort daarna een natuurkundeboek uit 1845 op tafel waaruit blijkt dat er rond die tijd al wel degelijk onderscheid werd gemaakt tussen positieve en negatieve lading. Het Lehrbuch der Physik und Meteorologie van dr. Joh. Müller bespreekt op blz. 75 een stuk hars dat durch Schlagen mit einem Fuchsschwanze oder einem Katzenpelze negativ elektrisch gemacht wird. Negatief: dat stemt wat het teken betreft overeen met wat tegenwoordig in de ‘triboelektrische reeks’ nog steeds wordt aangenomen. Dat de lading van het beweeglijke elektron negatief genoemd moet worden is kennelijk al lang geleden onvermijdelijk geworden.

Op 6 april ging het over het ooglapje waarmee zeerovers, kapers en piraten vaak worden afgebeeld. Op internet wordt beweerd dat het ooglapje het onderliggende oog permanent donker-geadapteerd hield en dat dat soms te pas kwam, bijvoorbeeld als je even wat nodig had uit het onverlichte vooronder. De AW-redactie kon bevestigen dat de truc wérkt. Ook anderen konden dat. Lezer Thibaud Taudin Chabot gebruikte in zijn marinetijd rond 1960 een halve zonnebril omsnel te kunnen schakelen tussen zonnig daglicht en het schemerduister dat rond het toenmalige radarscherm hing.

Een enkele lezer meent dat het lapje herinnert aan de tijd waarin stuurlieden nogal eens een oogontsteking opliepen bij het gebruik van de sextant. Want daardoor moet je immers recht tegen de zon inkijken. Dat is waar, maar snijdt geen hout omdat de sextant was uitgerust met speciale gekleurde glaasjes waarmee het licht viel te temperen. Lezer Chris Reinewald is opgevallen dat veel filmers uit de beginjaren van de film later een ooglapje zijn gaan dragen. Hij noemt Fritz Lang (R), John Ford (L), Raoul Walsh (R) en Nicholas Ray (R). De – interessante – vraag is: kwam het door het turen door de camera? En gebruik je je dominante oog bij het kijken door de camera of juist niet? Als het lapje een lolletje is, zoals bij John Wayne en Tom Cruise, gaat het dán bij voorkeur voor het dominante oog? Hier is nog ruimte voor nader onderzoek: gebruik de zoekterm eye patch voor Google Afbeeldingen.

Van AW-wege werd weinig onheil gezien in het oplaten van latexballonnen (20 april), want lang niet alle ballonnen landen in de natuur en lang niet alle ballonnen die daar wel landen worden gelijk opgegeten, en als ze wel worden opgegeten is dat in lang niet alle gevallen een ramp. Latex is een natuurproduct dat niet veel kwaad doet en snel vergaat. Maar Lucas Reijnders vond een artikel in Science of the Total Environment (Scott Lambert c.s., 2013) waarin wordt aangetoond dat latexballonnen die in water terecht komen uiteen vallen in nanopartikeltjes die wel gevaarlijk kunnen worden, bijvoorbeeld als ze verkeerde chemicaliën adsorberen. En juist deze week schrijft Nature zeer verontrust over de slinkende heliumvoorraad van deze wereld. De ballon heeft zijn mooiste jaren gehad, dat is wel duidelijk. Er moet voortaan op Koningsdag maar iets anders omhoog.

Nu het majokacheltje. Dat was een noodkacheltje dat in de beruchte hongerwinter van 1944-’45 werd gebruikt om toch te kunnen koken, ook al was er geen normale brandstof in de vorm van gas, petroleum , steenkool of elektriciteit. Het werd meer of minder geïmproviseerd samengesteld uit bestaande materialen. Het vernuftige aan het ontwerp was dat de rook die vrijkwam bij het verstoken van klein hout naar beneden werd afgevoerd door de potkachel waar het kacheltje bovenop moest staan. Het was een opzetkacheltje.

De afkorting majo verwijst naar Marie en Johan Bubberman uit Rotterdam, zoals Ewoud Sanders in zijn Woordhoek van mei 2003 kon berichten. Bubberman heeft het kacheltje geoptimaliseerd en liet het, zo bleek afgelopen week, in grote hoeveelheden fabriceren in het bedrijf van de heer Adam de Jong in Alblasserdam. Aldus diens schoondochter, mevrouw Janny de Jong - Koutstaal.

Jan Anderson van streekmuseum Jan Anderson in Vlaardingen laat weten dat in zijn museum nog ‘een flink aantal van deze kacheltjes’ is te vinden. Bovendien wijst hij erop dat verschillende dagbladen rond november 1944 tips gaven voor het vervaardigen van noodkacheltjes. Ook verscheen in november de brochure ‘Ons gezin in tijd van nood’ met nuttige aanwijzingen. Op internet is met het trefwoord ‘noodkacheltje’ een krantenknipsel uit de oorlog te vinden dat een schets geeft van een kacheltje dat als twee druppels waters lijkt op dat van Bubberman.

Des te aannemelijker dat hij niet de enige was die noodkacheltjes bedacht, optimaliseerde en in serie produceerde. De foto hier werd opgestuurd door Fred Udo in Monnickendam. Het kacheltje, dat hij als tienjarige zelf stookte, werd door zijn vader gemaakt en is nog in zijn bezit. Het ontwerp lijkt sterk op dat van andere kacheltjes waarvan foto’s of tekeningen werden opgestuurd. Ook Google Afbeeldingen toont veel van deze kachels.

Ze vallen niet onder de noemer majokachel, want die had geen rooster en voerde lucht van twee kanten aan. Maar verder is het principe natuurlijk hetzelfde, het zijn ook opzetkachels. Lezer H.A. Muller in Maarn die een foto van een identiek ontwerp stuurde schrijft dat de kachel een Valeriuskachel genoemd werd.

Er zijn nog zoveel kachels over dat het mogelijk moet zijn de evolutionaire ontwikkelingen helder in beeld te krijgen.