‘Ik zaag mijn been eraf doc, riep ik’

Profwielrenner Dennis van Winden (25) maakt zondag zijn rentree in Rund um Köln. Na een op het oog vrij risicoloze slagaderoperatie kreeg hij complicaties en moest hij vrezen voor zijn leven.

Dennis van Winden

Precies twee maanden geleden zat hij voor het eerst weer op de fiets, vertelt Dennis van Winden. Hij zal het moment zijn leven lang niet vergeten. „Het was hooguit een uurtje”, zegt de renner van Team Blanco. „Dan besef je dat het een lange weg wordt voordat je ooit weer een training van zeven uur aankunt, met serieuze intervallen. Maar je moet.”

Toen Van Winden in 2010 debuteerde bij de profs van Rabobank nam hij zich één ding heilig voor. „Ik stop nooit voordat ik mijn doel heb bereikt: koersen winnen.” Binnen zijn ploeg groeide de Delftenaar uit tot een gevestigde waarde. Maar om zijn doel te bereiken, voelde hij zich steeds vaker gelimiteerd door een blessure aan de liesslagader. „Komt wel meer voor bij renners, een knik in de ader waardoor er minder bloed en zuurstof door je been stroomt. Bij mij was een vaatcorrectie noodzakelijk. Ze halen een stukje ader eruit en zetten een nieuw stuk erin. Behoorlijk wat knippen en plakken, daarna zou het vanzelf genezen.”

Tot hij drie weken na de operatie pijn voelde en koorts krijgt. „Een griepje, dacht ik eerst. Maar de pijn zat juist in mijn been. Ik lag in bed, de koorts liep op naar 42, ik hield het niet meer. ‘Het is mis met dat been’, dacht ik.” Snel naar het ziekenhuis. „Op de CT-scan bleek dat het bloedvat was opengesprongen. Direct paniek, er stonden wel twaalf man rond mijn bed te discussiëren. Maar ik was zo ver weg van de pijn dat ik er weinig van meekreeg.”

De specialist in Veldhoven, waar de eerste operatie plaatshad, vindt de oorzaak. „Bacteriële infectie. Bacteriën kunnen zich op dat gladde oppervlak van de ader niet vastzetten, maar op de hechtingen wel. Daarom was het niet goed hersteld. De hechtingen losten na drie weken vanzelf op en toen is het opengesprongen. Een levensbedreigende situatie. Maar door een tweede operatie leek het opgelost. Ik moest wel tweeënhalve week in het ziekenhuis blijven, met zware antibiotica. Op 24 december mocht ik naar huis. Eindelijk.”

Met Kerstmis gaat het opnieuw mis. „Precies wat ik niet wilde: weer koorts. En de pijn werd ondraaglijk. In het ziekenhuis weer een CT-scan, met vreselijk nieuws: weer opengesprongen, maar dan erger. En voor de tweede keer eenzelfde operatie bleek niet mogelijk. De artsen gaven twee opties, die allebei het einde van mijn carrière betekenden. Klote, maar ik besefte het nauwelijks.”

„Ik had zo’n pijn! Mijn broertje, die mee was, ging helemaal kapot. ‘Dennis gaat de pijp uit’, dacht hij. De dokter vroeg om aan te geven hoeveel pijn ik had. Ik riep: ‘Geef me een zaag doc, en ik zaag hem er af!’ Ik kreeg volop pijnstillers en zou dezelfde avond nog geopereerd worden. Dan kon ik nooit meer sporten, laat staan aan topsport doen.”

Tot een van de behandelende artsen na een internationale consultatie van collega’s met een oplossing komt. „Ik kreeg een ‘stent’ in mijn ader, zeg maar een stuk kippengaas met suède aan de zijkant om het stabiel te houden. Op 30 december was dat, en de volgende dag nog een operatie om het dode bloed weg te halen en het bloed beter te laten doorstromen. Mijn vader zat naast mijn bed, maar ik was niet in staat om iets te zeggen. Maar op 31 december nam ik me één ding heilig voor: vanaf 1 januari zal het elke dag beter gaan.”

Met horten en stoten, maar toch. „Eerst weer leren lopen na drie maanden op je rug liggen. Dan moet je van ver komen, hoor. Maar mentaal gezien heb ik geen enkele keer een slechte dag gekend. Ik heb veel steun gehad van mensen, zeker ook vanuit mijn ploeg. Dat was echt super. Of die operatie fysiek beter of slechter uitpakt, weet ik niet. Maar spijt heb ik sowieso niet. Ik ben mentaal veel sterker geworden. Dus ben ik een betere wielrenner nu.”

Van Winden heeft zichzelf leren kennen, tijdens de eindeloze reeks tegenslagen. „Ik heb een echte topsportmentaliteit in mijn kop, dat heeft me geholpen. Altijd alles blijven geven, overal een wedstrijd van maken. Daar ben ik vanaf de eerste dag na de operatie mee bezig. Ik heb nooit de gedachte toegelaten dat dit het einde zou zijn. Ik zat in de surviving mode. Nu boek ik mijn eerste grote overwinning: zondag rijd ik mijn eerste koers. Ik ga in elk geval genieten op de fiets.” Rugnummer 17.